Uitgebreid zoeken

1945-nu

Na de Tweede Wereldoorlog zien we twee tegengestelde bewegingen. Een omvangrijke emigratie (vooral tot midden jaren vijftig) naar overzeese gebieden, en een bijna net zo omvangrijke immigratie (300.000) uit het voormalige Nederlands-Indië. Deze koloniale migranten werden op de voet gevolgd door de eerste gastarbeiders uit Zuid-Europa (Italië en Spanje) en later Turkije en Marokko. Zij allen waren zeer gewild in de industrie. De migratie uit mediterranne landen nam pas echt spectaculair toe tussen 1975 en 1990, toen de gezinshereniging op gang kwam. De vestiging van gezinsleden viel samen met de komst van tienduizenden Surinamers onmiddellijk voor en na de onafhankelijkheid in 1975. Gevolgd door een aanzienlijk aantal asielzoekers vanaf de jaren tachtig. Deze tweede ‘massa-immigratie’ sinds de Gouden Eeuw, was economisch gezien minder goed getimed, omdat die samenviel met een kwakkelende economie en zeer hoge werkloosheidscijfers in de jaren tachtig. Vanaf het einde van de 20e eeuw neemt de vraag naar arbeid, met name in de land- en tuinbouw, in de industrie en dienstverlening, weer toe. Met als gevolg een vooral vlottende bevolking van arbeidsmigranten uit Oost-Europa, met name uit Polen. Tot slot kent Nederland, net als in vroeger eeuwen, veel migranten aan de bovenkant van de arbeidsmarkt. Zij komen uit Europese landen, maar ook uit India, Japan en de Verenigde Staten. Zij leveren aantoonbaar een belangrijke bijdrage aan de innovatieve kracht van de Nederlandse economie.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM