Uitgebreid zoeken

Binnenlandse paspoorten

Binnenlandse paspoorten zijn voor het eerst in Frankrijk ingevoerd, in 1795. Het betrof aanvankelijk indrukwekkende stukken geschept papier (40 bij 45 cm.) met daarop naam, voornaam, beroep, woon- en geboorteplaats en signalement van de houder (meestal mannen). Het idee erachter was dat in beginsel alle reizigers - ingezetenen en buitenlanders - een politiek gevaar konden vormen, vandaar de noodzaak hun identiteit vast te stellen. Met de totstandkoming van het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon in 1806 werd deze wetgeving grotendeels ook in het Noorden overgenomen. Overigens hoefden in Nederland de binnenlandse paspoorten alleen te worden getoond in het gebied dat binnen vier uur reizen van de grens lag, dus een strook van ongeveer 25 kilometer breed in het oosten en het zuiden. De binnenlandse paspoorten waren speciaal bedoeld voor Nederlandse bewoners van grensstreken om hen te kunnen onderscheiden van vreemdelingen, en daarnaast voor alle ingezetenen die naar of door deze veiligheidszones reisden. In de  paspoorten  staan de namen, de geboorteplaatsen, de leeftijden en beroepen van de betrokkenen vermeld, soms zelfs het doel van de reis. Binnenlandse paspoorten raakten na de Napoleontische tijd steeds meer in onbruik, maar werden pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw afgeschaft.

Trefwoorden:

MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM