Uitgebreid zoeken

Migratieonderzoek op lokaal niveau door middel van bronnen

Aanvragen voor gelijkstelling en naturalisatie
Acten van cautie / admissieboeken / akten van indemniteit
Adresboeken en telefoonboeken
Bevolkingsregister en burgerlijke stand
Binnenlandse paspoorten
Confessieboeken: algemeen
Gemeenteverslagen
Lidmatenregisters van kerken
Notariële akten
Ondertrouwregister
Opvang (of steun-) comités, vluchtelingenhulp etc.
Poorterboeken
Tijdschriften / periodieken / kranten
Veiligheidskaarten
Vreemdelingenpolitie / Gemeentepolitie

Poorterboeken

In de vroegmoderne periode (15e-18e eeuw) was vaak maar een minderheid van de stadsbevolking ‘poorter’, dat wil zeggen mannelijke burgers met het recht om ambten te bekleden en lid van een gilde te worden. Daarnaast waren er ook plichten, zoals het verdedigen van de stad als lid van de schutterij. Het poorterschap was erfelijk, maar kon ook worden verkregen door huwelijk (met een poortersdochter)  of door koop. Migranten waren aangewezen op de laatste twee mogelijkheden. Het te betalen bedrag varieerde sterk van stad tot stad en hing ook af van de behoefte van steden aan nieuwe burgers. Gratis poorterschap werd ook wel gebruikt  om nieuwkomers te lokken.  Migranten zijn in deze bron terug te vinden door eventueel hun naam, maar vooral ook de plaats van herkomst die in het poorterboek vermeld werd. Ook informatie over de getuigen kan relevant zijn voor migratieonderzoek. Poorters hadden allerlei privileges, voornamelijk op het economische vlak.  Zo hoefden poorters geen tol te betalen, mochten zij door een gilde als meester worden aangenomen, konden zij de meeste beroepen uitoefenen en hadden zij het recht zaken aan te spannen bij de rechtbank. Daarbij waren de kinderen van een poorter verzekerd van zorg in het geval zij (half)wees zouden worden.
Omdat het grootste deel van de migranten te arm was om het poorterschap te kopen, is maar een klein aantal migranten in de poorterboeken terug te vinden. Bovendien was een deel van de bevolking uitgesloten van het poorterschap, zoals joden (tot 1796) en soms katholieken.

Ondertrouwregister

Sinds het einde van de 16 eeuw werden in Nederlandse steden alle voorgenomen huwelijken geregistreerd in ondertrouwregisters. Deze registers vermelden naast adres, getuigen en beroep (doorgaans alleen van de man) vaak ook de geografische herkomst. Daarnaast is informatie te vinden over de herkomst van de huwelijkspartner, wat iets kan zeggen over de integratie van de migrant. Deze bron is populair bij onderzoekers omdat ze een groot deel van de bevolking beslaan, namelijk iedereen die ter plekke trouwt. Uit de huwelijksregisters van het Utrechts Archief blijkt dat de vele buitenlandse militairen die in de Tachtigjarige oorlog voor de Republiek dienden, intieme contacten aanknoopten met autochtone vrouwen. Een groot aantal van hen, afkomstig uit landen als Duitsland, Engeland en Schotland, vestigde zich hier na zo'n huwelijk.

Acten van cautie/admissieboeken/akten van indemniteit

Met de akte van cautie (ook akte van indem­niteit, borgtocht of ontlastbrief genoemd) stelde een instantie of persoon zich borg voor het onderhoud van een immigrant, in geval hij of zij tot armoede zou vervallen. Steden konden de kosten van armenzorg tot maximaal een jaar na vestiging op de plaats van herkomst van de migrant verha­len. Beter nog was het arme migranten helemaal niet toe te laten. De meeste steden gingen hier actief toe over vanaf het einde van de 17e eeuw toen het economisch slechter ging in de Republiek.  In tegenstelling tot de ondertrouwakten is van deze bron nog maar weinig gebruik gemaakt. Afgezien van het onderzoek van Davids naar het 18e-eeuwse Leiden, is alleen iets bekend over Rotterdam en Drenthe. Nauw verbonden met de akten van cautie zijn de admissieboeken, die in ieder geval Delft en Haarlem bewaarden. Hierin zijn alle nieuwkomers opgenomen (in de 18e eeuw zo'n 9.000), die voorkomen in de notulen van de vergaderingen van een speciale commissie die moest controleren of mensen wel recht hadden op armenzorg. Het onderscheid tussen autochto­nen en nieuwkomers was daarbij essentieel.  Amsterdam is een van de weinige steden die nooit een acte van cautie heeft geëist aangezien men voortdurend immigranten nodig had.

Confessieboeken: algemeen

Rechterlijke archieven, en daarbinnen met name de confessieboeken, vormen een bijzonder rijke bron. Het gaat om vastgelegde processen. In het algemeen was gedurende de 17e eeuw het aandeel van vreemdelingen, in dit geval iedereen die buiten de stad was geboren, in de Hollandse stedelijke criminaliteit, zoals in Delft en Leiden, erg hoog. Pas een eeuw later vond er een verschuiving plaats naar autochtone stedelingen, wat gedeeltelijk valt te verklaren door een dalende immigratie. Overigens viel voor Leiden op dat het percentage van in het buitenland geboren criminelen min of meer overeenkwam met hun aandeel in de gehele bevolking. Daarnaast werden bepaalde beroepen, zoals dat van prostituee, in Amsterdam gedomineerd door buitenlanders. Deze bron is maar tot een zekere hoogte representatief voor het aantal migranten. Zo is niet te onderzoeken welke wetsovertredingen niet werden geregistreerd, het bekende dark number¬probleem, en kunnen de wetshandhavers door hun vooringenomenheid bepaalde groepen of categorieën eerder op het spoor zijn gekomen dan andere. Bovendien kan op basis van deze cijfers niet zomaar worden gegeneraliseerd voor algemene migratiepatronen.

Notariële akten

Het notarieel archief is enigszins vergelijkbaar met de rechterlijke archieven. Opnieuw betreft het omvangrijke series, waarbinnen we op zoek moeten gaan naar gegevens over vreemde­lingen. Deze kunnen een belangrijk licht werpen op de positie van vreemdelingen in de nieuwe samenleving. Ze hebben een hoog informatieve gehalte en de vele persoonlijke details. Belangrijk is wel dat de volledigheid van de indexen per bewaar­plaats en per notarisarchief sterk verschillen.

Adresboeken en telefoonboeken

Wanneer het om onderzoek gaat naar migranten die in de meer recente tijd als zelfstandige onder­nemers (of in dienst van landgenoten) specifieke beroepen uitoefenden, kunnen adresboeken een belangrijke bron van informatie vormen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Italiaanse schoor­steenvegers en terrazzowerkers, maar ook voor buitenlandse restauranthouders die de Nederlandse bevolking kennis lieten maken met gerechten uit hun land van herkomst. In gemeen­telijke adresboeken zijn over het algemeen ingangen op persoonsnaam, adres en beroep. Ze kunnen worden beschouwd als voor­lopers van het telefoonboek en de Gouden Gids (die voor de naoorlogse periode eveneens veel waardevolle informatie bevatten). Maar vanaf het eind van de 19e eeuw tot de jaren ’50 van deze eeuw hebben ze ook naast elkaar bestaan. In het gemeentearchief van Den Haag zijn de adresboeken van 1858 tot en met 1949 bewaard gebleven.

Gemeenteverslagen

De gedrukte gemeenteverslagen geven soms wat meer algemene informatie over migranten, hoewel deze per gemeente verschilt. De gemeenteverslagen van 's-Gravenhage vermelden vanaf de jaren twintig de aantallen vreemdelingen die zich in Den Haag vestigden, vertrokken en door de politie werden uitgeleid. Ook verschillende onderwerpen die op arbeid betrekking hebben (onder andere arbeidsbeurs, bouwbedrijven, het hotel-, cafe- en restaurantbedrijf, vrouwelijke beroepen) leveren waardevolle informatie over buitenlandse arbeidskrachten. In de rubriek 'bevolking' werd bijgehouden hoeveel Nederlanders er met vreemdelingen huwden. In 1928 waren dat er 480 (12,5%): 325 met Duitsers, 13 met Belgen en 75 met Oostenrijkers. Na 1954 zijn er in Den Haag geen gemeenteverslagen meer verschenen. De gemeentepolitie publiceerde toen al enkele jaren een afzonderlijk verslag, waarin ook gegevens van de vreemdelingen- en Inlichtingendienst zijn opgenomen.

Vreemdelingenregisters: specifiek

De periode van de Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland tussen 1795 en 1813 levert de onderzoeker naar immigratie een aantal nieuwe bronnen op, die nauw samenhangen met de Franse invloed en de daarop volgende vorming van een nationale eenheidsstaat. Met name de angst van de opeenvolgende revolutionaire regimes in Parijs voor acties van politieke tegenstanders (zoals de naar het buitenland gevluchte emigres) of spionage door vijandelijke mogend¬heden, maakte dat het centrale gezag al snel verordeningen afkondigde waardoor reizigers konden worden gecontroleerd. De 'pasdwang' die daar uit resulteerde, is voor de reconstructie van migratiebewegingen van groot belang. Deze paspoortwetten golden ook voor die delen van Nederland die ongeveer 20 jaar bij Frankrijk hoorden. Vooral in de zuidelijke provincies zijn archiefbestanden bewaard gebleven die betrekking hebben op de afgifte van buitenlandse paspoorten aan ingezetenen en het viseren van passen van buitenlanders. Daarnaast zijn in sommige steden, zoals Maastricht, registers bewaard van ingekomen vreemdelingen.

Binnenlandse paspoorten

Binnenlandse paspoorten zijn voor het eerst in Frankrijk ingevoerd, in 1795. Het betrof aanvankelijk indrukwekkende stukken geschept papier (40 bij 45 cm.) met daarop naam, voornaam, beroep, woon- en geboorteplaats en signalement van de houder (meestal mannen). Het idee erachter was dat in beginsel alle reizigers - ingezetenen en buitenlanders - een politiek gevaar konden vormen, vandaar de noodzaak hun identiteit vast te stellen. Met de totstandkoming van het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon in 1806 werd deze wetgeving grotendeels ook in het Noorden overgenomen. Overigens hoefden in Nederland de binnenlandse paspoorten alleen te worden getoond in het gebied dat binnen vier uur reizen van de grens lag, dus een strook van ongeveer 25 kilometer breed in het oosten en het zuiden. De binnenlandse paspoorten waren speciaal bedoeld voor Nederlandse bewoners van grensstreken om hen te kunnen onderscheiden van vreemdelingen, en daarnaast voor alle ingezetenen die naar of door deze veiligheidszones reisden. In de  paspoorten  staan de namen, de geboorteplaatsen, de leeftijden en beroepen van de betrokkenen vermeld, soms zelfs het doel van de reis. Binnenlandse paspoorten raakten na de Napoleontische tijd steeds meer in onbruik, maar werden pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw afgeschaft.

Veiligheidskaarten

De binnenlandse paspoorten werden vanaf 1 januari 1810 vervangen door veiligheidskaarten. Deze kaarten werden afgegeven door de politie of het gemeentebestuur van de woonplaats van de houder. Waarschijnlijk is deze verordening echter al snel weer teruggedraaid, want veel inventarissen van gemeentearchieven vermelden vanaf 1811 alweer registers van binnenlandse paspoorten. Het systeem van Veiligheidskaarten is onlosmakelijk verbonden met in diverse gemeentearchieven bewaarde overnachtingregisters, logementregisters, registers van inkomende vreemdelingen en registers van binnenlandse en buitenlandse paspoorten (veelal terug te vinden in de gemeentelijke politiearchieven) die in feite allemaal gebaseerd zijn op een Koninklijk Besluit uit 1815. Tot slot zijn er op diverse plaatsen lijsten van verdachte of afgewezen vreemdelingen bijgehouden, die waarschijnlijk eveneens uit het eerste vreemdelingencontrolesysteem voortvloeiden. In 1830, na de Belgische afscheiding, werd bepaald dat naast vreemdelingen ook rondtrekkende ingezetenen over een Veiligheidskaart dienden te beschikken. Registers van Veiligheidskaarten, die over het algemeen  op lokaal niveau zijn bewaard, zijn in ieder geval vanaf 1816 te vinden. Ze lopen door tot 1849, toen de eerste Nederlandse Vreemdelingenwet van kracht werd.

Vreemdelingenpolitie/Gemeentepolitie

Een uitvloeisel van de Wet Toezicht Vreemdelingen uit 1918 was de vorming van aparte afdelingen Vreemdelingenpolitie bij de gemeentepolitie in de wat grotere plaatsen. Deze kunnen waardevolle informatie over vreemdelingen bevatten. Zo zijn in Leiden, naast de reeds genoemde registratie, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Den Haag, vrijwel alle dossiers over vreemdelingen bewaard gebleven. Deze circa 4000 dossiers (over de periode 1918-1945) zijn zeer gevarieerd en interessant. Ze bevatten niet alleen correspondentie tussen overheden, maar ook brieven van immigranten en van autochtonen die aandringen op het afgeven van een verblijfsvergunning of juist de wens uitspreken dat een vreemdeling over de grens wordt gezet. Verder komen de meest uiteenlopende categorieën vreemdelingen erin voor: onder andere Hongaarse, Oostenrijkse en Duitse transport- of vakantiekinderen (in de jaren ’20) en de plaatselijke comités die de komst van vele duizenden van de kinderen regelden; jaarlijkse tellingen van Chinezen; honderden uitgebreide dossiers over Duitse dienstbodes, Italiaanse terrazzowerkers en joodse vluchtelingen; buitenlands personeel van de universiteit en bezoekers van wetenschappelijke congressen.

Aanvragen voor gelijkstelling en naturalisatie

Het Burgerlijk Wetboek van 1838 bepaalde dat vreemdelingen op eigen verzoek met een Nederlander konden worden gelijkgesteld. Zij verkregen dan weliswaar niet de Nederlandse nationaliteit, maar wel een aantal belangrijke burgerrechten. In principe hebben alle gemeenten deze aanvragen geregistreerd, maar het is onbekend in hoeverre ze ook zijn bewaard. Daarnaast maakte de Nationaliteitswet van 1850 het mogelijk de Nederlandse nationaliteit aan te vragen voor vreemdelingen van de eerste generatie (kinderen in Nederland geboren, werden automatisch Nederlander), mits minimaal 23 jaar oud, tien jaar of langer in Nederland gevestigd en met de intentie te blijven. Net als bij de gelijkstellingen moesten gemeenten registers bijhouden van alle aanvragen. Hoewel alle toekenningen in het Staatsblad zijn gepubliceerd, kunnen de lokaal opgestelde registers van belang zijn, omdat het om aanvragen gaat en die bevatten meer gegevens over de aanvrager. Met de nieuwe wet op het Nederlanderschap van 1892 verviel de plicht tot registratie door de gemeente. Niettemin zijn in het archief van de Haagse gemeentepolitie voor de periode 1945-1952 ook verzoeken om naturalisatie bewaard.

Bevolkingsregister, vanaf 1850 (vrijwillig) en burgerlijke stand; vanaf 1811) (hierin dienstboderegister)

In bevolkingsregisters (vanaf 1850) en registers van de burgerlijke stand (voor het hele land vanaf de Franse inlijving in 1811) werden ook migranten opgenomen. Zij kunnen daarom veel waardevolle informatie over migratiepatronen opleveren. Voor het zoeken naar specifieke vreemdelingen in een gemeentelijk Bevolkingsregister (BR) zijn gegevens als de persoonsnaam en/of het adres van vestiging onmisbaar. De nationaliteit staat in het BR over het algemeen wel vermeld, maar daar kan niet op worden gezocht. Of alle vreemdelingen ook in het BR werden ingeschreven is niet helemaal duidelijk, maar zowel vreemdelingen die zich voor enkele maanden, als degenen die zich voor langere tijd in een gemeente vestigden, vinden we erin terug. Hoewel niet alle informatie even betrouwbaar is, valt er doorgaans uit op te maken wanneer de betreffende persoon zich vestigde, vertrok, op welke adressen deze tussentijds woonde en of hij of zij daar zijn betrekking uitoefende.

Een bevolkingsregister bevat geboorte, huwelijks- en overlijdensakten die informatie kunnen geven over de herkomst van de betrokkene.

Zo wordt in de huwelijks- en overlijdensakten (en in de bijlagen hij de huwelijksakte) de geboorteplaats vermeld, alsmede gegevens over de ouders van de persoon in kwestie. Daarnaast is het van belang erop te letten of zich onder de getuigen wellicht land- of streekgenoten bevonden. Op deze registers bestaan indexen op familienaam, de zogenaamde Tienjarige Tafels.

In sommige bevolkingsregisters is een afzonderlijk dienstboderegister opgenomen.

Omdat door de eeuwen heen veel personeel uit het buitenland kwam, is een dergelijk register een nuttige bron voor migratieonderzoek.

Gildearchieven/registers

Ambachtsgilden kwamen tot het einde van de 18e eeuw en soms nog later in alle steden met minimaal enkele duizenden inwoners voor. Er waren gilden voor schoenmakers, chirurgen, bakkers, handelaren, bierbrouwers, zakkendragers en nog vele andere. Als men een beroep wilde uitoefenen, moest men vaak lid zijn van de gilde van het betreffende beroep. Zo ook buitenlandse ambachtslieden van wie de mobiliteit altijd groot is geweest. De wens of noodzaak elders een vak te leren of er een grotere bekwaamheid in te verkrijgen, heeft steeds mensen tot migratie aangezet. Leerjongens maakten als onderdeel van hun opleiding een rondreis langs verschillende leermeesters. Leerlingen en knechten werden soms geregistreerd in de archieven van het gilde waarbij hun werkgever of leermeester was aangesloten.

Migranten die zelfstandig een beroep wilden uitoefenen, waren net zoals hun lokale collega’s verplicht lid te worden van een gilde. Zo waren Duitse handelaren in Utrecht verplicht om lid te worden van het marsliedengilde en in Amersfoort van het kramersgilde. Alle leden zijn in ledenregisters terug te vinden. Soms is ook de geboorteplaats of herkomst van deze persoon vermeld, bij voorbeeld bij een aantal gilden in Amsterdam.

Soms ook werden vreemdelingen niet toegelaten, maar konden zij tegen betaling wel een vergunning krijgen om een beroep uit te oefenen. Vooral ventvergunningen voor vreemdelingen zijn bekend. Joden zijn over het algemeen altijd gediscrimineerd door gilden. Behalve in enkele Amsterdamse gilden zijn zij tot in de 18e eeuw geweerd. Vanaf die tijd werden er uitzonderingen gemaakt op deze regel, waarmee ook registratie van joden en hun herkomst in de gildearchieven terug te vinden is. De discriminatie van joden is pas echt beëindigd met de opheffing van de gilden zelf.

Opvang (of steun-) comités, vluchtelingenhulp etc.

Diverse verenigingen en comités hebben zich beziggehouden met de opvang van migranten. Zoals diverse katholieke kerken en verenigingen die zich met de opvang van gevluchte Duitse religieuzen ten tijde van Kulturkampf en later van mijnwerkers hebben beziggehouden; Montefiore (opvang van jood¬se passanten aan het einde van de 19e eeuw); van zeer vele landelijke, maar vooral ook plaatselijke comités van uiteenlopende signatuur die tussen 1919 en 1928 de opvang van zogenaamde 'vakantie-' of 'transport-' kinderen uit Duitsland, Oostenrijk en Hongarije in Nederlandse pleeggezinnen regelden; van de Amsterdamse 'Vereeniging tot behartiging van de Belangen der Jonge Meisjes' die zich het lot van Duitse dienstbodes aantrok; van het Comité voor joodse vluchtelingen en het protestants hulpcomité voor uitgewekenen om ras en geloof, dat zich bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD)bevindt; van de Nederlands Hervormde Kerk, die zich met de opvang van Molukkers en repatrianten heeft beziggehouden; van uiteenlopende werkgroepen en stichtingen voor 'gastarbeiders' en vluchtelingen; van de Vereniging Lau Mazirel, die de belangen van zigeuners behartigde. 

Lidmatenregisters van kerken (Waalse kerken, Nederduitse gemeenten, Hoogduitse gemeenten etc.)

Veel nieuwkomers en hun nakomelingen hielden namelijk lange tijd vast aan eigen kerken of andere religieuze verbanden, zoals blijkt uit het voortbestaan van diverse migrantenkerken: de Engelse of Schotse gemeente, de Waalse (voor Zuid-Nederlanders en Hugenoten), de verschillende joodse richtingen (Portugese en Hoogduitse synagogen) en de Lutherse of Evangelische kerken, die voor een belangrijk deel door Duitse immigranten werden bevolkt. Hun archieven, die in veel plaatsen zijn bewaard en grotendeels zijn geïnventariseerd, bevatten naast informatie over het reilen en zeilen van de kerk, ook vaak de registratie van nieuwe leden. Naast de lidmatenregisters zijn ook de huwelijksregisters -voor zover niet door de plaatselijke autoriteiten bijgehouden- van belang. Met name van de Waalse en Lutherse kerken zijn deze op diverse plaatsen bewaard, onder meer in Utrecht, Haarlem, Den Haag, Arnhem en Nijmegen vanaf het midden van de 17e eeuw. Tot slot zijn op diverse plaatsen de huwelijksregisters van Engelse of Schotse kerken bewaard. De joodse synagogen kennen een dergelijke bron niet. Er zijn wel begrafenisregisters, maar die vermelden doorgaans geen herkomst, terwijl de besnijdenisboeken (aangelegd door in deze handeling gespecialiseerde particulieren) te sporadisch zijn bewaard en in de meeste gevallen eveneens de herkomst onvermeld laten. Voor demografische gegevens over joden vormen ondertrouwaktes een belangrijke bron.

Tijdschriften/periodieken/kranten

Waar het gaat om onderzoek naar de houding van de Nederlandse bevolking tegenover immigranten kunnen artikelen in dag- en weekbladen en (geïllustreerde) tijdschriften belangrijke informatie opleveren. Het onderzoek daarnaar neemt echter veel tijd in beslag als er niet gericht naar bepaalde gebeurtenissen kan worden gezocht. In enkele gemeentearchieven zijn voor bepaalde perioden toegangen op de aanwezige krantencollectie gevormd. Zo beschikt het gemeentearchief in Amsterdam over een onderwerpen- en trefwoordenindex op artikelen over deze stad voor de periode 1840-1984. Bovendien is er nog een verzameling personalia. In het Haags Gemeentearchief is over een veel beperktere periode, namelijk van 1952 tot 1977, een lokale 'krantenklapper' aangelegd, met een ingang op onderwerpen en persoonsnamen. De onderwerpen in deze klapper die betrekking hebben op migratie zijn: vluchtelingen, immigratie/emigratie en buitenlandse verenigingen. Maar ook in de algemene rubrieken 'bevolking', 'kerk¬genootschappen' en 'begraafplaatsen' zijn artikelen over migranten te vinden. Daarnaast hebben sommige instellingen knipselverzamelingen over een bepaald onderwerp aangelegd. Voor het beeldvormingsonderzoek naar Indische Nederlanders werd bijvoorbeeld geput uit het krantenarchief van H.C. Wassenaar-Jellesma, dat destijds was ondergebracht in het archief van het ministerie van WVC. Het bestond uit 1288 krantenartikelen die betrekking hadden op de repatriëring uit Indonesië in de maanden december 1957, januari en februari 1958.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM