Uitgebreid zoeken

Beginperiode in Nederland

Nadat mijn moeder besefte dat ze als filmmaker zonder een verblijfsvergunning niet aan de slag kon komen in Nederland, hebben we een klein jaar in asielzoekerscentra gewoond. Ik was toen twaalf jaar. Het eerste asielzoekerscentrum was een soort pension in een dorpje bij Amersfoort. Daarna belandden we in een asielzoekerscentrum bij Putten, waar we met z’n drieën één kamer deelden.

Ik heb gemengde gevoelens over deze periode. Het was fascinerend om mensen uit verschillende landen te leren kennen, met allemaal hun eigen verhalen. Er waren veel kinderen, er was een schooltje en ’s avonds werden er films vertoond.

Na elf maanden kregen we de A-status. We hebben een van de kortste procedures gehad om een asielzoekerstatus te krijgen. Dat kwam omdat mijn moeder een koffer vol met bewijzen had dat haar leven in Iran in gevaar was.

Ons verblijf in het asielzoekerscentrum is het voor mij de zwartste periode uit mijn leven. Hier drong het pas echt goed tot mij door dat we niet meer teruggingen naar Iran. Het enige wat ik wilde was teruggaan naar mijn familie, maar dat kon niet. Er was wel contact met de familie in Iran maar niet genoeg. Bellen naar Iran was voor ons niet te betalen. Onze familie in Iran belde ons wel regelmatig, maar ze waren dan heel kortaf en hielden het slechte nieuws voor zich. Dit is typisch voor de Iraanse cultuur: je vertelt alleen goed nieuws. Ik vond dat vreselijk frustrerend. Ik wilde weten hoe het met ieder persoonlijk ging!

En daarbij zaten we in een asielzoekerscentrum met veel mensen die ook heftige dingen hadden meegemaakt en getraumatiseerd waren. Dat leverde niet altijd vrolijke taferelen op. De eerste vier, vijf jaar in Nederland was ik heel depressief. Ik kon maar niet aanvaarden dat we in Nederland waren, en niet in Iran. Ik miste mijn familie vreselijk. Ik ging wel naar school, maar schermde me af voor anderen.

Toch kreeg ik gaandeweg vrienden. Die vriendschappen hebben er uiteindelijk voor gezorgd dat ik me in Nederland thuis ging voelen. Toen ik een jaar of zestien was kreeg ik een vriendje op school. Hij heeft dagenlang naar mijn verhalen geluisterd, mij getroost en veel warmte en liefde gegeven. Dit was voor mij het begin van gevoelsmatig aankomen in Nederland. En ik kreeg ook een goede vriendin. Zij was de eerste vriendin die langskwam in ons flatje dat we van de gemeente hadden gekregen, en ze bleef komen. Dankzij deze contacten heb ik op een gegeven moment het gevoel gekregen dat ik ook hier kon wortelen.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM