Uitgebreid zoeken

1945-heden

Tussen 1949 en 1975 kwamen tienduizenden gastarbeiders  uit Italië naar Nederland. De meesten waren afkomstig uit de arme delen van Italië. Vooral het zuiden en het eiland Sardinië kampten na de Tweede Wereldoorlog met hoge werkloosheid. Jonge mannen zagen dan ook meer toekomst in West-Europa, waar de banen voor het oprapen lagen. Ook trok het avontuur. De meeste Italianen trokken naar Zwitserland en Duitsland. Omdat Nederland actief gastarbeiders wierf in Italië, kwamen er ook veel naar Nederland. In de jaren '40 en '50 werkten er al Italianen in de mijnen in Limburg. Na 1955 wilden ook andere Nederlandse bedrijven Italiaanse werknemers aanstellen.

Na Italië was Spanje het tweede wervingsland voor buitenlandse werknemers. Het wervingsverdrag voor Italiaanse gastarbeiders werd in augustus 1960 gesloten. Het wervingsverdrag tussen Nederland en Spanje kwam al een jaar later, op 8 april 1961 tot stand. In het kader daarvan kwamen begin jaren zestig grote aantallen Spaanse gastarbeiders naar Nederland. Hun herkomstgebieden waren vooral Andalusië en Extremadura. Spanjaarden hadden vaak meer dan één reden om naar het buitenland te vertrekken. Om te beginnen heerste er op het platteland armoede. Dat kwam ook doordat grootgrondbezitters de boerenbevolking arm hielden. Daarnaast was dictator Francisco Franco aan de macht en was het land politiek verdeeld. Veel Spaanse gastarbeiders werden dus niet alleen aangetrokken door de werkgelegenheid in West-Europa, maar ook door de politieke vrijheid. Zoals Angel het samenvatte: "Mijn broer is in 1963 naar Nederland vertrokken, hij was een van de eersten die bij Philips ging werken. We leefden toen in een tijd van dictatuur, van veel armoede en weinig vrijheid. Mijn broer moedigde me aan om ook naar Nederland te komen en in januari 1965 ben ik gegaan."

Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Hatta in Nederlands-Indië de republiek Indonesia uit, terwijl het toen officieel nog een kolonie was. Dat leidde tot koortsachtig politiek overleg en een aantal bloedige militaire acties. Op 27 december 1949 werd Indonesië officieel onafhankelijk. Er volgde een lang proces van losmaking, tot eind jaren zestig. In die kwarteeuw verlieten meer dan 300.000 Nederlanders de voormalige kolonie om zich in Nederland te vestigen. Het ging om Nederlanders van uitsluitend Europese afkomst én om Nederlanders van gemengd Europees-Aziatische afkomst - in de koloniale tijd Indo’s geheten. Zij behoorden tot verschillende categorieën, met uiteenlopende achtergronden. De eerste categorie repatrieerde naar het vaderland, dus keerde letterlijk terug na een lang verblijf in de kolonie. De tweede categorie werd als Nederlander in de kolonie geboren, maar had nooit eerder in het vaderland overzee gewoond. De derde categorie was Indonesisch staatsburger geworden, warga negara, maar kreeg daar later spijt van. Deze zogeheten spijtoptanten namen alsnog de boot – of het vliegtuig – naar het Westen. In de loop van de naoorlogse jaren is de term ‘Indische Nederlander’ ingeburgerd geraakt voor alle migranten die na de oorlog van Indië, dan wel Indonesië naar Nederland zijn gekomen.

In de jaren '50 en '60 kwamen de eerste migranten van het toen nog Portugese Kaapverdië naar Nederland. Het waren zeemannen die op Europese schepen werkten en zo in verschillende Europese havens terechtkwamen. Omdat Nederlandse rederijen bekend stonden om hun goede arbeidsomstandigheden, werd Rotterdam al snel populair onder Kaapverdianen. Zij verlieten hun geboorteland vanwege de armoede, maar ook om de dienstplicht te ontlopen. Daniel kwam in 1973, op zijn zestiende, naar Nederland: "Zonder mijn vader en moeder. Kaapverdië was toen nog een kolonie van Portugal. Als ik was gebleven, had ik het leger in gemoeten, vechten in Angola. Mijn vader heeft me naar Nederland gestuurd. Hij wilde zijn zoon niet verliezen."  Voor anderen was avontuur een belangrijke reden: "Op ons eiland kon je overal de horizon zien. Dan dacht ik: Hoe zou het daarachter zijn? Daarom ben ik vertrokken."

Turkije

De migratie van Turken naar Nederland kwam in de tweede helft van de 20ste eeuw op gang. Eerst vanwege economische motieven, later door de politieke omstandigheden in Turkije. Naar Duits voorbeeld ging ook Nederland in de jaren '60 op zoek naar arbeidskrachten in Turkije. Vele duizenden jonge mannen werden geworven voor werk in Nederlandse bedrijven. De pioniers waren gastarbeiders die in het midden van de jaren '60 in Nederland arriveerden. Later werden zij gevolgd door hun familieleden. Nadat halverwege de jaren '70 de periode van werving in Nederland was afgesloten, verzochten enkele duizenden Turken om toelating als vluchteling. Dit waren groepen christenen en Koerden, beide afkomstig uit Zuidoost-Turkije.  Zowel Turkse Koerden als christenen stuitten op een afwijzende Nederlandse overheid. Jarenlange, vaak ingewikkelde procedures, waren het gevolg. Slechts na lang wachten en inschakeling van media en actiegroepen kregen zij permanente toelating. Tegenwoordig wonen er ongeveer 378.000 Turken in Nederland.

De huidige Turkse landsgrenzen werden na de Eerste Wereldoorlog bepaald. Daarvoor was Turkije onderdeel van het enorme Ottomaanse Rijk. Binnen dit Rijk was migratie gewoon. Ook was er veel migratie tussen het oostelijke deel van Europa en het Ottomaanse Rijk. Onder leiding van Mustafa Kemal (Atatürk) werd Turkije onafhankelijk in 1923. Het werd een seculiere staat met overwegend moslims, maar ook een aantal minderheidsgroepen. Zo woonden in het oosten veel christenen en in het zuidoosten veel Koerden. Na de tweede wereldoorlog ontstond grote werkloosheid in Turkije op het platteland en in de steden. Dit leidde tot veel emigratie, vooral naar West-Europa.

Gastarbeiders uit Turkije: Tussen 1960 en 1973 kwamen 65.000 Turkse migranten naar Nederland. Zij waren vooral afkomstig uit het Midden en Zuidoosten van Turkije, waar veel werkloosheid heerste. Lees meer

Koerden uit Turkije: Vanaf midden jaren '60 verlieten Turkse Koerden Oost-Turkije om in Nederland als gastarbeider aan de slag te gaan. Lees meer

Armeniërs en Arameërs uit Turkije: Tussen 1976 en 1983 vroegen ongeveer 3.100 in Turkije woonachtige christenen, zowel Armenen als Arameërs, asiel aan in Nederland. Lees meer

Migratiecijfers: Lees meer

Vietnam

Na 1975 ontvluchtten ongeveer 2 miljoen Vietnamezen hun land, merendeels in zeer gammele bootjes. Ze werden overvallen door Thaise piraten en een deel van hen verdronk in de Golf van Tonkin. Een drama voor de Vietnamese kust zorgde dat Vietnamese vluchtelingen in Nederland in het centrum van de belangstelling kwamen te staan. In de vroege ochtend van 23 juni 1979 werd een bootje met meer dan driehonderd vluchtelingen aan boord vastgemaakt aan de ankerkabels van het Nederlandse schip Neddrill 2, dat voor de Vietnamese kust naar olie boorde. De vluchtelingen vroegen om hulp. Aan boord van de Neddrill 2 leidde dat tot heftige discussies, totdat het bootje plotseling begon te zinken. De bemanning van de Neddrill 2 kwam de vluchtelingen met alle middelen te hulp, maar kon niet verhinderen dat tachtig mensen voor hun ogen verdronken.

De Vietnamese overheid eiste dat de overige vluchtelingen in Vietnam aan land werden gebracht en stuurde een kanonneerboot om het verzoek kracht bij te zetten. Cees Hoek, kapitein van de Neddrill 2, weigerde de vluchtelingen over te dragen. Er werd een schip gekocht, waarmee de vluchtelingen naar veilige internationale wateren moesten worden gebracht. De Vietnamese overheid stemde hiermee in. Zodra de vluchtelingen echter aan boord van het schip waren, dwong een schip van de Vietnamese marine het met schoten voor de boeg om alsnog naar Vietnam te varen. Daar werden de mannen van de vrouwen en kinderen gescheiden en allemaal werden ze vastgezet. Er volgde een periode van onderhandelingen en uiteindelijk mochten deze vluchtelingen begin september per vliegtuig naar Schiphol vertrekken. Het hele drama werd door de Nederlandse pers nauwlettend gevolgd, en dat leidde tot sympathieke reacties op de komst van deze vluchtelingen. In de latere jaren was de komst van nieuwe Vietnamezen niet onomstreden en werd er in de pers geopperd dat zij hun land ontvluchtten om economische redenen.

De Vietnamese vluchtelingen gingen merendeels naar de Verenigde Staten, Canada, Australië en West-Europa. Tot 1983 werden in Nederland ruim 6000 Vietnamezen opgenomen. Door gezinshereniging en nieuwe toelatingen groeide het aantal in de jaren daarna. In 2007 vormden zij een gemeenschap van 18.000 mensen. Ze wonen voornamelijk in Almere, Purmerend, Hoorn, Harlingen, Leeuwarden, Spijkenisse en Helmond (waar 2000 gezinnen wonen). Over het algemeen zijn de Vietnamezen goed geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. De loempiakramen zijn onderdeel geworden van het Nederlandse straatbeeld, maar dit is zeker niet de enige sector waarin ze werkzaam zijn.

In de jaren '60 werden ze gastarbeiders genoemd. Maar de Marokkanen die voor werk naar Nederland kwamen, vestigden zich er uiteindelijk. Ze hebben inmiddels bijna een halve eeuw in hun tweede vaderland achter de rug. Alle reden om met hen te praten over de eerste jaren van hun verblijf. Werden zij destijds geworven of arriveerden ze spontaan? Kwamen ze alleen van het platteland van Marokko of ook uit de steden? Waren ze ongeletterd of hadden ze enige jaren scholing genoten? Over die achtergronden en ervaringen gaat het project Rif Tour.

Met het project Riftour probeerden het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten (CGM), het Haagse Museon en het Samenwerkingsverband Marokkanen in Nederland (SMN) zoveel mogelijk jonge en oude Marokkaanse Nederlanders kennis te laten maken met hun migratiegeschiedenis. Dat gebeurde met een boek en een tentoonstelling die in de zomer van 2009 in Noord-Marokko te zien was. Daarvoor was een speciale bus ingericht en reisde een gezelschap mee van gastvrouwen en cabaretiers om bezoekers rond te leiden en te vermaken. De Riftourbus reisde van 8 juli tot 11 augustus door het Rifgebied en trok meer dan 9.000 bezoekers.

Zie ook: www.riftour.nl

Bij de migratie van Marokkanen naar Nederland speelde de officiële werving via de overheid een geringe rol. Slechts 4000 Marokkaanse gastarbeiders zijn via die officiële weg gekomen. Zij maakten een bescheiden deel uit van het totale aantal landgenoten dat in 1973 in Nederland woonde. In dat jaar kwam er officieel een einde aan het wervingsverdrag tussen beide landen. Hoe kwamen zij hier dan terecht? Onder andere uit de buurlanden van Nederland, die juist wel actief mijnwerkers betrokken uit de Rif. Maar ook door spontane migratie. Op die manier zijn zelfs de meeste Marokkanen naar Nederland gekomen. Echte gelukzoekers, zoals dat tegenwoordig heet. Zij hadden gehoord dat de omstandigheden in Nederland beter waren dan in andere Europese landen waar hun landgenoten een baan hadden geaccepteerd, zoals in Frankrijk en België. Menig Marokkaan van het eerste uur heeft destijds dus het heft in eigen handen genomen. In die tijd van grote arbeidstekorten hoefden werknemers zich ook zeker niet van alles te laten welgevallen. Als het werk hun begon tegen te staan, namen ze ontslag en probeerden ze het elders.

De Marokkaanse ‘gastarbeiders’ arriveerden toen de arbeidsmarkt om werknemers zat te springen – een tijd van economische hoogconjunctuur. De belangen van werkgevers gaven de doorslag, niet de opstelling van het departement van Justitie, die tot voorzichtigheid maande. De grenzen voor toelating gingen ook pas dicht toen de oliecrisis zich voordeed. Niemand geloofde toen nog dat eenmaal gevestigde migranten weer zouden teruggaan. Het was ook niet zo, dat er na 1973 ineens helemaal geen werk meer was voor buitenlandse arbeiders. Integendeel, ook toen bleven werkgevers benadrukken hoezeer zij afhankelijk waren van goedkope arbeiders uit het buitenland.

De werkloosheid van gastarbeiders nam dus niet dramatisch toe na de oliecrisis. Het omslagpunt lag rond 1980. De belangrijkste effect van de crisis was eigenlijk, dat veel buitenlandse arbeiders zich voor het eerst realiseerden dat er voor hen geen grootse toekomst gloorde in het land van herkomst. Om die reden wilden ze geen afstand doen van de opgebouwde sociale rechten in Nederland. Zij begonnen juist hun gezinnen te laten overkomen. De immigratie van Marokkanen nam dus fors toe na 1973, toen gezinsmigratie de plaats begon in te nemen van arbeidsmigratie.

In Nederland wonen anno 2010 ruim 167.000 in Marokko geboren Nederlanders en bijna 182.000 nakomelingen (tweede generatie). In totaal gaat het bij de groep Marokkaanse Nederlanders dus om zo’n 350.000 personen.

Lees het persoonlijke verhaal van één van die nakomelingen, Mohammed Chaara

Migratiecijfers: lees meer over Marokkaanse gastarbeiders en over Gastarbeiders in het algemeen

Deel je verhalen en foto's op Onzehelden, het online platform van Marokkomedia, dat samen met vijfeeuwenmigratie tot stand kwam.

Tussen 1960 en 1973 kwamen 65.000 Turkse migranten naar Nederland. Zij waren vooral afkomstig uit het Midden en Zuidoosten van Turkije, waar veel werkloosheid heerste. Ook Yasar ging naar Nederland om geld te verdienen. Voordat hij in 1963 in Tilburg als houtbewerker aan de slag ging, werkte hij in verschillende Turkse fabrieken en had hij een baan als taxichauffeur in Istanbul. Op een zeker moment besloot hij, zoals zovelen van zijn generatiegenoten, naar het buitenland te gaan. Hij had het volgende beeld voor ogen: "Een paar jaar werken in het buitenland, hard en sober leven zogezegd, om met het gespaarde geld een nieuwe Chevrolet te kopen." Anderen werden vooral getrokken door het avontuur. Zo ging Huseyin niet naar Nederland om de kost te verdienen of om veel geld te sparen: "Ik was jong en ik was nogal avontuurlijk ingesteld. Het was het avontuur dat me trok. Het idee om te gaan was geïnspireerd op een kennis die bij een bureau werkte dat mensen uitzond naar Europa." De meeste Turken gingen aan de slag in Duitsland, dat al in 1960 actief Turken begon te werven. Maar ook in andere Europese landen kwamen veel Turken terecht, waaronder Nederland.

Turan Gül, gastarbeider en columnist: Turan Gül (1940-1997) kwam in 1971 via Frankrijk naar Nederland om bij Bruynzeel in Zaandam te gaan werken. Lees meer

1945-heden

Het aantal migranten in Nederland nam in de tweede helft van de 20ste eeuw sterk toe. Aan het eind van de eeuw lag het aandeel van migranten in de bevolking zelfs weer op het niveau van de Republiek in de zeventiende eeuw. Uit de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog verrees een zeer welvarend Nederland, dat veel migranten aantrok. De migranten kwamen uit andere landen dan in vroegere perioden. Weliswaar vormden Duitsers, net als voorheen, lange tijd de belangrijkste groep migranten, maar na 1960 vormde hun aantal nog maar een fractie van de grote groep vreemdelingen in Nederland. De economische groei in het Westen trok veel arbeidsmigranten aan. Zij kwamen eerst overwegend uit Europese landen, daarna van buiten Europa. Goedkope en makkelijke transportverbindingen droegen hieraan bij. Door de onafhankelijkheid van de koloniën in Oost en West kwamen veel migranten uit die delen van de wereld naar Nederland. Politieke vluchtelingen kwamen eveneens uit alle delen van de wereld. De ontwikkeling en uitbreiding van de Europese Unie leidden tot de komst van inwoners van andere lidstaten.

In 1947 en 1948 liet de Nederlandse overheid 4.000 displaced persons toe. Met de term displaced persons werden vluchtelingen aangeduid die zich, door deportatie of andere gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog, na de bevrijding buiten de grenzen van het thuisland bevonden. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog waren miljoenen mensen in Europa verspreid geraakt. Velen keerden meteen na de bevrijding terug. Het bleek al snel dat ongeveer 1,6 miljoen Oost-Europeanen niet naar huis wilden, want daar waren de communisten nu aan de macht. Bovendien was de economie er slecht aan toe. Deze displaced persons bleven liever in de kampen waar zij waren opgevangen in Duitsland, Oostenrijk en Italië. Westerse landen namen hen vervolgens op, waarna de opvangkampen opgeheven werden.

Molukkers

In 1951 kwamen 12.500 Molukkers per boot naar Nederland; 3.500 Molukse soldaten uit het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) en hun gezinnen. Na de Tweede Wereldoorlog hadden Indonesische nationalisten op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesië uitgeroepen. Nederland accepteerde dit niet en probeerde in eerste instantie, onder andere met militaire acties, het koloniale gezag te herstellen. Na vier jaar moest Nederland echter de onafhankelijkheid van Indonesië erkennen en werd op 27 december 1949 de soevereiniteit overgedragen. In de politieke turbulentie rond de dekolonisatie van Indonesië werd in de Zuid- Molukken (in het oosten van de Indonesische archipel) een eigen staat uitgeroepen, de Zuid Molukse Republiek. Molukse militairen die op dat moment nog in Nederlandse dienst waren en zich buiten de Zuid-Molukken bevonden, steunden die nieuwe republiek. Omdat deze groep Molukkers het slachtoffer dreigde te worden van de politieke spanningen, werd zij naar Nederland overgebracht. Tussen 23 maart en 21 juni 1951 kwamen de Molukkers in de havens van Rotterdam en Amsterdam aan voor een tijdelijk verblijf. Hoewel verreweg de meeste Molukkers KNIL-militairen waren, maakten ook kleine groepen Molukkers in dienst van de marine, politiemensen en burgers deel uit van de passagiers.

Sinds de vroege jaren '70 heeft de adoptie van kinderen uit het buitenland een hoge vlucht genomen. Behalve uit Zuid-Korea kwamen er kinderen uit Thailand, Sri Lanka, India, Bangladesh, Indonesië, Columbia en nog wel andere landen naar Nederland. Die steeds grotere vraag kwam door het stijgen van de leeftijd waarop vrouwen in het Westen een kind wilden. Hierdoor nam de kans op ongewenste kinderloosheid toe. In 1967 vertelde de naar Amerika geëmigreerde Nederlandse schrijver Jan de Hartog in het populaire televisieprogramma Mies en scène met veel warmte over zijn twee geadopteerde Koreaanse kinderen. Zijn optreden bracht talrijke Nederlandse ouderparen op het idee een adoptiekind te gaan zoeken in de zwaar door de oorlog getroffen landen in Azië. De kinderen van veel alleenstaande moeders in Korea en Vietnam hadden vaak nauwelijks een kans om een bestaan op te bouwen. Adoptie bood dan een kans op een stabiele toekomst elders.

Op 4 november 1956 viel de Sovjet-Unie Hongarije binnen. Het leger moest een eind maken aan massale demonstraties van opstandige Hongaren tegen het communistisch regime. Door het optreden van het Russische leger sloegen 225.000 Hongaren op de vlucht. De meeste vluchtelingen kwamen uit Boedapest. Het overgrote deel ging naar Oostenrijk. Een klein deel stak de grens met Joegoslavië over. Het Internationale Rode Kruis ving hen op in vluchtelingenkampen. De motieven om de grens over te steken waren niet uitsluitend van politieke aard. Hongarije was een arm land, en in het buitenland was veel meer werk te vinden en geld te verdienen. Het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties vroeg Nederland en andere landen om Hongaarse vluchtelingen op te nemen. Nederland liet daarop uiteindelijk 3300 Hongaarse vluchtelingen toe.

De migratie na de Tweede Wereldoorlog vanuit voormalig Joegoslavië naar Nederland bestond uit twee delen. In de jaren '70 werden er gastarbeiders geworven en in de jaren '90 kwamen vluchtelingen als gevolg van burgeroorlogen. Joegoslavië viel uiteen in Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Servië en Montenegro, Slovenië en Macedonië. De meeste vluchtelingen waren afkomstig uit Bosnië. De gemeenschap van (ex-)Joegoslaven in Nederland telde in 2005 76.346 personen. Dit zijn alle personen die geregistreerd staan als afkomstig uit (ex-)Joegoslavië, wat betekent dat zijzelf of een van de ouders in dat land is geboren.


Zigeuners en woonwagenbewoners: vanaf het einde van de jaren '60 van de 20e eeuw maakte een groep 'zigeuners' uit het toenmalige Joegoslavië hun opwachting in Nederland. Toen het niet lukte hen naar hun geboorteland terug te sturen, zijn ongeveer 1000 van hen toegelaten. lees meer


Gastarbeiders uit voormalig Joegoslavië: Nederland sloot in 1970 een wervingsakkoord met de regering van de Socialistische Federatieve Republiek Zuidslavië. Er werkten al veel Joegoslaven in het buitenland (in 1971 19,1% van de beroepsbevolking: 860.000 mensen). Naar Nederland kwam een vrij klein deel van de Joegoslavische emigranten. lees meer


Vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië: na het begin van de burgeroorlog in Joegoslavië sloegen niet minder dan zes miljoen mensen op de vlucht. Aanvankelijk kwamen vooral veel Bosniërs naar Nederland; zowel Bosnische moslims, Serviërs als Kroaten. In 1999 bestond de grootste groep uit Kosovaren. lees meer 

Achter de term 'zigeuners' gaan veel verschillende groepen schuil. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze met hun gezinnen rondtrokken, in tenten of woonwagens overnachtten en uit het buitenland kwamen. De eerste groepen die door Nederlandse overheden als 'zigeuner' werden betiteld, waren groepen ketellappers uit Hongarije die in het voorjaar van 1868 bij Oldenzaal de grens passeerden. In datzelfde jaar doken er gezinnen met bruine (dans)beren in Nederland op die eveneens als zigeuner werden aangemerkt. De autoriteiten gingen er van uit dat zigeuners bedelaars en armoedzaaiers waren en probeerden hen daarom zo veel mogelijk uit Nederland te weren. Omstreeks 1900 kwam er een derde groep naar Nederland: paardenhandelaren die met woonwagens Noorwegen hadden verlaten en waarschijnlijk oorspronkelijk uit Hongarije kwamen. Pas in de jaren '20 kregen politie en marechaussee een vierde groep in het oog: muzikanten uit Duitsland en België. De meeste gezinnen van deze laatste groep woonden al sinds het midden van de 19e eeuw in Nederland, maar ze vielen pas op toen ze de pensions en huizen verruilden voor een eigen woonwagen. Tegenwoordig gebruiken de nakomelingen van deze groepen, van wie een groot deel in 1944 in het vernietigingskamp Auschwitz werd vermoord, de term 'Sinti'. Vanaf het einde van de jaren '60 van de 20e eeuw maakten nieuwe 'zigeuners' hun opwachting, dit keer uit Joegoslavië. Toen het niet lukte hen naar hun geboorteland terug te sturen, zijn ongeveer 1000 van hen toegelaten en in de jaren '80 over een aantal opvanggemeenten verspreid. Ze wonen daar in huizen en staan bekend als 'Roma'. De term 'zigeuner' wordt door Sinti en Roma als een scheldwoord beschouwd.

Woonwagenbewoners van Beukbergen. Beukbergen, nu een van de grootste woonwagencentra van Europa, was ooit niet meer dan een kluitje wagens langs de kant van de weg. Een pleisterplaats voor scharen-slijpers, stoelenmatters, venters, kermisexploitanten, muzikanten, aardappelrooiers, uienrapers en kersenplukkers. Mensen met beroepen die een reizend bestaan noodzakelijk maakten, en voor wie reizen een manier van leven werd. Lees meer

Angola

Angola was tot 1975 een kolonie van Portugal. De Angolezen spreken daarom veelal Portugees en zijn deels katholiek. Als gevolg van een reeks van oorlogen ontvluchtten 4 miljoen Angolezen (een derde deel van de bevolking) Angola. Onder deze vluchtelingen waren veel kinderen. Een deel van hen vluchtte als alleen reizende minderjarige (AMA's).

In Nederland wonen ongeveer 10.000 Angolezen. Ze hebben gedeeltelijk aansluiting gezocht bij de Portugeestalige kerken, die eerder door migranten uit Portugal zijn opgezet. 

Voor de Tweede Wereldoorlog waren er in Nederland niet meer dan enige tientallen Chinese eethuizen gevestigd. Het waren aanvankelijk Chinese pensioneigenaren die deze eethuisjes begonnen voor in Nederland verblijvende zeelui uit China. Vanaf de jaren ’50 groeide het aantal Chinese restaurants enorm vanwege de vraag naar Oosters voedsel door Nederlanders die in Indië hadden gevochten. Dit leidde tot het ontstaan van een mengvorm: de Chinees-Indische keuken. De komst van Indische Nederlanders, die vanouds bekend waren met de Chinese keuken, leidde vooral tot een grotere vraag naar tropische producten. De Chinese restaurants haalden hun personeel veelal uit China en uit Hongkong, hoewel zij voor Indische gerechten ook Indonesische kokkinnen aantrokken. 

Lees het verhaal over De Chinees op Geheugenvanwest.amsterdam

Gert Belmer vertelt over zijn herinnering aan het Chinese restaurant uit zijn jeugd Wah-Do in Amsterdam op 100jaarchinezen

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen enkele honderden jonge Surinaamse vrouwen naar Nederland om in de verpleging te werken. Nederlandse ziekenhuizen hadden in die tijd - en nog altijd! - grote problemen met het aantrekken van voldoende vakkundig personeel. Zij wierven actief vrouwen in Suriname, die wel naar Nederland wilden komen omdat ze daar een betere toekomst verwachtten. Anders dan ze vantevoren hadden gepland, keerden de meesten van hen na het behalen van hun verpleegstersdiploma niet terug naar hun geboorteland - uitzonderingen daargelaten.

Turan Gül (1940-1997) kwam in 1971 via Frankrijk naar Nederland om bij Bruynzeel in Zaandam te gaan werken. In Turkije was hij enige tijd als journalist bij een kleine lokale krant ('Tribün') werkzaam geweest. Naast zijn baan bij Bruynzeel bleef hij voor die krant verslag doen over de ontwikkelingen in de Turkse gemeenschap in Zaandam. In 1972 werd hij correspondent bij de landelijke krant Hürriyet. Nog weer een jaar later begon hij een wekelijkse column te schrijven in de Zaanse krant 'De Typhoon'. De column heette Gül Bahçesi (Rozentuin) en verscheen zowel in het Turks als het Nederlands. De stukken gingen vooral over het wel en wee van de Turken in Zaandam: 'Ik voel me dichtbij jullie', luidde de kop van zijn eerste column. Niet lang daarna wees hij op de geringe belangstelling van Turkse ouders voor de bijeenkomst van de scholingscommissie.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM