Uitgebreid zoeken

Expats

Expats

De term ‘expat’ heeft de laatste jaren sterk aan populariteit gewonnen binnen het Nederlandse taalgebruik. Het is echter vaak onduidelijk wie er precies met deze term worden aangeduid. Binnen dit thema worden verschillende groepen hooggeschoolde arbeidsmigranten beschreven die tijdelijk in Nederland verbleven.

Binnen het bedrijfsleven is de term ‘expat’ al langer gangbaar voor tijdelijk naar het buitenland uitgezonden medewerkers. Vaak ontvangen zij een salaristoelage voor de extra kosten die zij in het buitenland maken voor bijv. huisvesting, onderwijs en medische zorg. Binnen het Nederlandse toelatingsbeleid wordt uitsluitend van ‘kennismigranten’ gesproken. Dit zijn werknemers die arbeid in loondienst verrichten waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de Nederlandse kenniseconomie. Daarnaast geldt een inkomenscriterium.

Omdat de term ‘expat’ in Nederland een paraplubegrip is geworden voor verschillende groepen tijdelijke, hooggeschoolde, en welvarende migranten, komen binnen dit thema verschillende beroepsgroepen aan bod. Voorbeelden hiervan zijn werknemers van multinationals, wetenschappers, diplomaten, handelaren, missionarissen, ontwikkelingswerkers, en militairen. Veel van deze groepen werden ook in het verleden om hun kennis en deskundigheid in Nederland verwelkomd. Het verschilt uiteraard door de tijd welke beroepen als hooggeschoold werden aangemerkt.

Door de voorgenomen tijdelijkheid van hun verblijf worden expats vaak niet als migranten aangeduid. Ook wordt veelal gezegd dat zij niet integreren, maar in een ‘expat-bubble’ leven. Zowel in het verleden als het heden zijn echter tal van voorbeelden te vinden waarbij contact en uitwisseling tussen expats en de ontvangende samenleving plaatsvond. Door hun korte verblijf zijn zij echter vaak wel afhankelijk van voorzieningen in hun eigen taal of in het Engels, zoals internationale scholen en clubs.

In dit thema wordt verder ingegaan op de herkomst van de term ‘expat’, de ontwikkeling van het Nederlandse beleid voor kennismigranten, en enkele belangrijke thema’s binnen het wetenschappelijke onderzoek naar hooggeschoolde arbeidsmigratie. Daarnaast wordt een beeld geschetst van de expatgemeenschap in Den Haag in de twintigste eeuw, een stad die van oudsher veel hooggeschoolde arbeidsmigratie kende. Ten slotte wordt op basis van het archiefmateriaal van het Expatriate Archive Centre in Den Haag, een inkijkje geboden in de persoonlijke levens van een aantal expats die in de tweede helft van de twintigste eeuw in Nederland verbleef.

Interview met Bruno Gardini

De respondent die ik voor dit onderzoek heb geïnterviewd is Bruno Gardini. Hij is in 1947 geboren in Passatore in de Italiaanse provincie Piemonte. Tijdens zijn jeugd is hij nog naar het nabijgelegen Cuneo verhuisd. Later heeft hij aan de Techniche Universiteit van Turijn gestudeerd, hij rondde zijn studie af in 1971. Vervolgens heeft hij twee jaar dienstplicht gehad. Hij heeft daarna nog een aantal jaar in Turijn gewoond en gewerkt bij de universiteit. In 1975 is meneer Gardini geëmigreerd om in Noordwijk als ingenieur te werken bij de ESTEC (onderdeel van de European Space Agency). Hierdoor valt hij binnen de categorie van expats. In 1977 is hij weggegaan en in Duitsland gaan werken om in 1981 weer terug te komen naar Nederland en zich daar definitief te vestigen.

Door: Irene Garofalo

Interview met Bernardina Sophia Kemperman-Brauticham
Bernardina Sophia Brauticham werd op 22 juni 1925 in Nederland geboren. In 1956 trouwde zij op 31-jarige leeftijd met Albert Kemperman en kreeg twee kinderen. Na het huwelijk kon Albert bij Shell aan de slag, waardoor het gezin in 1960 kortstondig naar Venezuela moest migreren. Daar hebben zij eerst in Maracaibo en later in Caracas gewoond. Als vrouw van een expat ervoer Bernardina het verblijf in het buitenland anders dan andere migranten. Reis en woning werden door Shell verzorgd, evenals de huishoudhulp. In 1962 is de familie een jaar teruggekomen naar Nederland. Zij hebben toen in Zeist in een pension gewoond. In dit jaar is hun jongste zoon Koen geboren. Vervolgens zijn zij in 1963 teruggekeerd naar Venezuela, waar zij tot 1966 bleven. Hierna vestigden zij zich voor de kinderen definitief in Nederland.

Door: Marc D’haene

Interview met Arie Willem Schmidt

Arie Willem Schmidt werd op 28 december 1926 geboren in Amsterdam. Op negentienjarige leeftijd meldde hij zich als oorlogsvrijwilliger en vertrok als soldaat naar Indonesië. Vlak na zijn diensttijd, in 1950, vertrok hij nogmaals naar Indonesië. Ditmaal als expat. Hier verbleef hij vijf jaar. Na een korte tussenpose vertrok Arie in 1957 voor vier jaar met zijn vrouw Tiny Schmidt weer als expat naar het buitenland. In Japan verwonderde hij zich over de geheel nieuwe zakencultuur, geisha’s en de gang van zaken op de universiteiten. De jaren in Japen bleken een van meest intensieve en mooiste van zijn leven. Op vijfendertig jarige leeftijd keerde hij weer terug naar Nederland. Eenmaal hier was het moeilijk wennen. De inspirerende Japanse omgangsvormen en bedrijfsstructuren zouden hem altijd bijblijven.

Door: Willemijn Schmidt

Komen en Gaan

Interview met Kees en Gree Goedhart

Kees en Gree Goedhart ontmoetten elkaar op een fuif en trouwden in 1961. Het echtpaar heeft jarenlang gereisd. Kees werkte al sinds 1960 voor CB&I en werd regelmatig als expat naar het buitenland gezonden. Zijn vrouw Gree Goedhart vond Nederland maar saai en ging, op één reis na, altijd met hem mee. Gezamenlijk bezochten zij Pakistan, Port Sudan, Zuid-Afrika, meerdere malen naar het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Indonesië en Frankrijk. Toen zij zich in 1987 permanent in Nederland vestigden, was Kees vijfenvijftig jaar oud. Tien jaar later ging hij met pensioen.

Door: Amber MacLean

Het Expatriate Archive Centre (EAC) verzamelt materiaal over de geschiedenis van Nederlandse en niet-Nederlandse expats en stimuleert onderzoek naar deze groep. Het archief is in 1990 ontstaan nadat de Engelse Judy Moody Stuart en de Cypriotische Tasoula Hadjitofi op het idee kwamen om herinneringen van Shell families te verzamelen en in boekvorm uit te brengen. Het materiaal hiervoor werd bewaard en leidde tot de oprichting van het Shell Outpost Family Archive. Op 10 april 2008 volgde de verzelfstandiging van Shell. Shell besloot de totstandkoming van een onafhankelijk expatonderzoek- en archiefcentrum te steunen en schonk een bedrag van €3.000.000. Dit was het begin van het Expatriate Archive Centre.

Het EAC beheert en verzamelt een unieke collectie van schriftelijke, audiovisuele en digitale bronnen en ondersteunt het onderzoek op basis hiervan. De veranderende levensstijl van expats in de afgelopen decennia is goed terug te zien in de archieven die privépersonen en organisaties hebben nagelaten. Veel persoonlijke archieven bevatten beschrijvingen van de eerste kennismaking met Nederland en de worsteling met het altijd naderende vertrek. Waar dat voorheen vooral in de vorm van geschreven brieven en dagboeken gebeurde, zijn e-mails en weblogs tegenwoordig gangbare middelen hiervoor. Daarnaast geven foto’s en films een mooie inkijk in het leven van expats, een wereld die voor veel Nederlanders onbekend is.

Website Expatriate Archive Centre

In het Expatriate Archive Centre is een gedicht bewaard van de tienjarige Timothy Wilson die zijn leven in Nederland op rijm heeft gezet. Hij beschrijft zijn dagelijkse bezigheden, het Nederlandse weer, en de feestdagen.

A Year in Holland

January in Holland is a time of skating
People do this while animals are hibernating

In February, we go abroad for the snow
Beyond Holland’s borders, a long way to go

Spring flowers galore tell you it’s March
Stirring the growth of the oak and the larch

When I’m thinking in April of the chocolate Bunny
My stomach rumbles and my mouth goes all runny

When May is here all patriots true
Remember all people who died in W W 2

In June the little fishing boats return
With the herring catch visible from bow to stern

Bright colours dot the July sky
As Schevening’s many kites fly high

August comes and soon is spent
The holidays are over and how time went

In September Prinsjesdag is coming to town
And so is the Queen with her golden crown

Halloween parties in October are really quite fun
But I’d better get my homework done

When saint Nick arrives in November by boat
We remember to write him a greedy note

When the shops jingle with Christmas cheer
You can be sure that December is finally here

(jaar onbekend)
Collectie Expatriate Archive Centre

Judy Moody- Stuart-Mcleavy  groeide op in Thornton-Cleveleys, Engeland, en bracht een groot deel van haar middelbare schooltijd door in Sussex. Ze studeerde scheikunde aan de Universiteit van Cambridge en na haar afstuderen werkte ze onder andere voor de Zweedse Geologische Dienst, het Sedgwick Museum in Cambridge en doceerde ze drie jaar aan de Universiteit van Istanbul. In 1964 trouwde ze met Mark Moody-Stuart en met hem kreeg ze drie zoons en een dochter. Hun gezamenlijke expatleven begon in 1966, toen Mark in dienst trad bij Shell. Tussen 1966 en 2005 werkte hij in Spanje, Oman, Brunei, Australië, Turkije, Maleisië en Nederland (Den Haag). Ook Judy zat niet stil tijdens hun verblijf in het buitenland. Zij had bijvoorbeeld een aanstelling aan de Universiteit van Istanbul en zette zich ervoor in om de herinneringen van andere Shell-expatfamilies te verzamelen en te bundelen. Dit resulteerde in twee publicaties: Life on the move (1993) en Life now (1996). In 1994 was Judy nauw betrokken bij het opzetten van Outpost, een informatienetwerk voor Shell expats en hun gezinnen. Het archiefmateriaal van het Outpost vormde de basis voor het in 2008 opgerichte Expatriate Archive Centre in Den Haag, waar Judy Moody-Stuart tot de dag van vandaag bestuurslid van is.

Foto: Collectie Expatriate Archive Centre

De term ‘expat’ of ‘expatriate’ is samengesteld uit de Latijnse woorden ex (buiten) en patria (vaderland). Binnen het Engelse taalgebruik heeft de term een ingewikkelde  geschiedenis. Aanvankelijk verwees de term naar Europese migranten die in de vroege negentiende eeuw naar het net onafhankelijke Amerika trokken. Door ‘expatriation’ konden zij Amerikaans staatsburger worden en vielen zij niet langer onder de zeggenschap van de overheid in hun land van herkomst. Begin twintigste eeuw verwees de term juist naar migranten die Amerika verlieten en daarmee hun burgerrechten (en plichten – zoals belasting) verloren. Zij werden gedwongen uitgezet of ontvluchtten de sociale conventies van het thuisland. Een voorbeeld hiervan zijn de Amerikaanse schrijvers en kunstenaars uit de Lost Generation die in het Interbellum naar het vrijzinniger Parijs trokken.

Bedrijfsleven
In de jaren zestig van de twintigste eeuw, ten slotte, kreeg de term ‘expat’ zijn huidige betekenis. Na de Tweede Wereldoorlog vertrok een groot aantal Amerikanen voor liefde of zaken naar het buitenland. Binnen de wetgeving werden er daarom mogelijkheden geschapen voor stemmen in het buitenland en het hebben van een dubbele nationaliteit. Met de internationalisering van de arbeidsmarkt werd de term ‘expat’ vooral binnen het bedrijfsleven een veelgebruikte term. Het vakgebied van het International Human Resource Management (internationaal personeelsbeleid) houdt zich bezig met het selecteren, trainen, en uitzenden van deze werknemers naar het buitenland. De salaristoelage en de extra voorzieningen (zoals huisvesting en onderwijs) die zij in het buitenland ontvangen, worden veelal het ‘expat-package’ genoemd.

Expat Desks
De populariteit van de van oorsprong Engelse term in het Nederlandse taalgebruik is waarschijnlijk een gevolg van de aanwezigheid van buitenlandse bedrijven en multinationals in ons land. Ook wanneer Nederlandse werknemers naar het buitenland worden uitgezonden gebeurt dit soms op expat-voorwaarden. Sinds de jaren negentig gebruiken veel lokale overheden en dienstverleners de term om een brede groep van hooggeschoolde arbeidsmigranten mee aan te spreken, zoals te zien is in de oprichting van ‘Expat Desks’. Binnen het Nederlandse beleid is de term echter nooit ingeburgerd geraakt en ook de in 2004 ingevoerde kennismigrantenregeling gebruikt de term niet. Sommige steden, zoals Den Haag, kiezen nu bewust een neutralere term als ‘The Hague International Centre’ voor hun informatiebalie.

In 1931 werd de Poolse jurist graaf Michal Jan Rostworwoski (1864) door de Algemene Vergadering van de Volkenbond verkozen tot rechter van het prestigieuze Permanente Hof voor Internationale Justitie in Den Haag. Tot die tijd was Rostworowski hoogleraar aan de Jagiellonische Universiteit in Krakau. In de jaren twintig had hij Polen al meerdere keren vertegenwoordigd als rechter ad-hoc bij het Permanente Hof voor Arbitrage, eveneens in Den Haag. Hij kwam in 1931 dus niet op vreemde bodem terecht.

In Den Haag verbleef rechter Rostworowski bij oud-generaal Benteijn, een oude vriend van zijn eerdere bezoeken aan de hofstad. In huize Benteijn aan de Scheveningseweg kon de rechter beschikken over zijn eigen appartement.

Natuurlijk trok de rechter veel op met zijn landgenoten die ook in Den Haag verbleven. Zowel zakelijk als privé sprak hij geregeld met de Poolse gezant Babinski en zijn vrouw, maar ook met ander ambassadepersoneel. In het Haagse societyleven was Rostworowski echter ook geen onbekende. Een rechter van zijn statuur was een graag geziene gast bij openingen en premières, waar de kranten dan weer uitgebreid verslag van deden. Ook in regeringskringen schoof de rechter regelmatig aan bij diners en andere feestelijkheden. Zo werkte hij aan een groot netwerk, zowel lokaal als internationaal.

Naar het thuisfront (Rostworowski had twee dochters, zijn vrouw was al vroeg overleden) stuurde hij regelmatig brieven, soms wel drie per week. Daarin deed hij verslag van zijn dagelijkse bezigheden aan het Permanente Hof en van zijn vrije tijd. Hoewel het leven van de rechter op het oog begerenswaardig is, komt in deze brieven ook de keerzijde van het expatbestaan aan het licht. Regelmatig schreef hij over zijn moeite met de lange zittingen van het Hof en de moeizame omgang met bepaalde collega’s en kennissen. Ook komt er naar voren dat hij zijn thuisland erg miste en dat hij eenzame momenten beleefde in zijn lege appartement.

Toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak koos de rechter er voor om terug te keren naar Polen in plaats van in het veilige Den Haag te blijven. Veel vrienden die hij in Nederland had gemaakt informeerden in die tijd naar zijn veiligheid en gezondheid. Ruim een half jaar na zijn vertrek overleed Michal Rostworowski in Polen. Zijn dood bleef echter niet onopgemerkt in Den Haag. De Poolse ambassade organiseerde een aantal dagen later een herdenkingsmis in de Haagse St. Jacobuskerk aan de Parkstraat. Veel van zijn vrienden, ook van buiten het Hof en de ambassade waren daarbij aanwezig om hun laatste eer te betonen aan deze man die bijna tien jaar lang deel had uitgemaakt van de Haagse samenleving.

Foto: privécollectie familie Rostworowski

De stad Den Haag trekt van oudsher veel expats aan. In de eerste plaats vanwege het feit dat de Nederlandse regering er al eeuwenlang gezeteld is. Buitenlandse regeringen stuurden hun afgevaardigden naar de ambassades die zich rond het Binnenhof en de huidige Archipelbuurt en Statenkwartier bevonden. Naast het ambassadepersoneel kwam er aan het begin van de twintigste eeuw een nieuwe categorie bij: het personeel van de internationale juridische hoven.

Vanaf het einde van de negentiende eeuw werden verschillende internationale juridische conferenties in Den Haag georganiseerd. Dit leidde in 1899 tot de oprichting van het Permanent Hof van Arbitrage en in 1922 het Permanent Hof van Internationale Justitie, de voorloper van het Internationaal Gerechtshof. Rechters en medewerkers werden door de Volkenbond gekozen en waren afkomstig van lidstaten over de hele wereld. Samen met het ambassadepersoneel, het Corps Diplomatique, droegen de internationale juristen bij aan het internationale karakter van Den Haag.

Er bestonden nauwe banden tussen deze internationale groep en de Haagse aristocratie. In de negentiende eeuw al werden er vanuit het Koningshuis uitbundige bals georganiseerd waar ook de diplomaten werden uitgenodigd. Met de komst van Koningin Wilhelmina werd dit echter al snel minder. Toch bleven de banden intact. Op jaarlijkse recepties mochten diplomaten en rechters op het paleis langskomen voor een kort onderhoud met de Koningin. Ook Haagse bestuurders en politici onderhielden contacten met de internationale vertegenwoordigers. Tijdens diners, recepties en verjaardagen thuis mengden de Haagse en de internationale bovenlaag zich. Echt sprake van een ‘expat bubble’ was er dus niet in deze periode.

Zie ook: Portret van een rechter: Michal Jan Rostworowski

Binnen het Nederlandse toelatingsbeleid hebben hooggeschoolde arbeidsmigranten altijd een uitzonderingspositie ingenomen. Het verschilde uiteraard door de tijd  welke kennis en vaardigheden zij meebrachten, en op basis waarvan zij werden toegelaten.

Kennismigrantenregeling
Sinds 2004 bestaat er een ‘kennismigrantenregeling’ voor hoogopgeleide buitenlanders die naar Nederland komen om een bijdrage te leveren aan de kenniseconomie. De werkgever hoeft voor hen geen tewerkstellingsvergunning aan te vragen bij het UWV, maar moet wel verklaren een inkomen te betalen dat boven een vastgestelde grens van ongeveer vijftig duizend euro per jaar ligt. Deze inkomensgrens geldt niet voor buitenlandse studenten, promovendi, en wetenschappelijk onderzoekers. Deze groep kan aanspraak maken op het Europese toelatingsbeleid – de ‘Blue Card’ – waarvoor een opleidingscriterium geldt. De grootste groepen die de afgelopen jaren gebruik maakten van deze regeling zijn volgens het CBS afkomstig uit India, Amerika, China, Japan en Turkije.

Multinationals
Vooral in de jaren zeventig ontstond een lobby van multinationals als Shell en Philips, en de universiteiten om een flexibeler toelatingsbeleid voor hooggeschoolde arbeidsmigranten te vormen. Dit zou de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven verbeteren en Nederland aantrekkelijker maken als vestigingsland voor buitenlandse ondernemingen. Wel ontstond er binnen de politiek discussie over de komst van hooggeschoolde arbeidsmigranten uit ontwikkelingslanden, ook wel ‘brain drain’ genoemd. Betekende dit immers een verlies van arbeidskrachten voor deze landen, of brachten de migranten juist kennis en ervaring mee terug?  Dit was bijvoorbeeld het geval met de komst van Surinaamse verpleegkundigen in de jaren vijftig, Filipijnse vroedvrouwen in de jaren tachtig, en Indiase ICT’ers in de jaren negentig.

Tijdelijk
Ook verder terug in de tijd stonden dit soort economische argumenten centraal in de regelgeving voor hooggeschoolde arbeidsmigranten. Zo bestonden er in de jaren vijftig tal van ‘vrijstellingen’ voor bijvoorbeeld diplomatiek personeel, handelsreizigers, buitenlandse correspondenten, wetenschappelijk onderzoekers, religieuzen, en personeel van multinationals. Zij hadden wel een visumplicht en moesten zich bij de plaatselijke politie melden, maar hadden geen arbeidsvergunning nodig. Daarbij gold als belangrijkste argument dat zij tijdelijk in Nederland verbleven en geen bedreiging voor de werkgelegenheid vormden. Migratiedeskundige Tesseltje de Lange spreekt in dit verband van ‘arbeidsmigratie in Nederlands belang’. Ook het bestaan van internationale handelsverdragen kon bijdragen aan een soepeler verlening van tewerkstellingsvergunningen, zoals bijvoorbeeld aan het personeel van Amerikaanse multinationals.

Stedelijke economie
Ook vóor de ontwikkeling van een apart beleid voor hooggeschoolde arbeidsmigranten kon deze groep als gevolg van hun relatief hoge inkomenspositie de meeste migratiewetgeving omzeilen. Met de invoering van een landelijk vreemdelingenbeleid in 1849 gold dat een ieder die beschikte over een geldig paspoort (met visum) en voldoende middelen van bestaan, moest worden toegelaten. Het enige geval waarin bezwaar tegen de komst van hooggeschoolde arbeidsmigranten werd ingebracht, was wanneer zij de openbare orde of publieke rust verstoorden. Dit kon bijvoorbeeld het geval zijn bij de komst van politieke vluchtelingen of in het geval van spionage. Vóór de negentiende eeuw kende Nederland geen landelijk vreemdelingenbeleid, maar waren migranten wel meer of minder gewenst op basis van hun bijdrage aan de stedelijke economie. Brachten zij bepaalde kennis of vaardigheden mee, en was het onwaarschijnlijk dat zij een beroep op de stedelijke armenzorg deden, dan konden zij op tal van privileges rekenen. Zeker in de Gouden Eeuw kende Nederland een betrekkelijk tolerant vestigingsklimaat, voor zowel politieke als religieuze vluchtelingen. Een voorbeeld hiervan zijn de 140.000 Hugenoten die tussen 1680 en 1720 Frankrijk ontvluchtten. Zij werden verwelkomd om hun geld, kennis, en contacten, en hoefden bijvoorbeeld niet te betalen voor het lidmaatschap van gilden.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM