Uitgebreid zoeken

Integratie

Integratie

Integratie is een begrip dat op veel manieren wordt gehanteerd. Op deze website verstaan we eronder: het proces tijdens welk migranten, maar vooral hun nakomelingen, dus de tweede en latere generaties, meer gaan lijken op de omringende bevolking. Hun sociale en economische positie verbetert: betere banen, betere opleiding, betere huisvesting. Ook richt men zich meer op de ontvangende samenleving. Dat blijkt dan uit gemengde huwelijken, vriendschappen buiten de oorspronkelijke etnische groep en het lidmaatschap van clubs en verenigingen waar ook andere Nederlanders bij zijn aangesloten.

Het proces van vestiging leidt slechts af en toe tot minderheidsvorming. We spreken hier pas van als na drie generaties de nakomelingen van migranten nog steeds als anders worden gezien door de samenleving. Maar ook zijzelf zich nog altijd als een aparte etnische groep beschouwen. Die positie van minderheid gaat gepaard met structurele achterstanden, zowel sociaal als economisch. In het verleden hebben we dit zien gebeuren bij zogeheten zigeunergroepen en bij Oost-Europese joden die in de loop van de 17e en 18e eeuw naar Nederland kwamen. Momenteel lijkt het erop dat een deel van de kleinkinderen van Turkse en Marokkaanse immigranten in een minderheidspositie verkeert. Maar voor een definitief oordeel is het nu nog te vroeg.

Op het moment dat migranten in een nieuw land aankomen, verschillen ze meestal in een aantal opzichten van de ingezeten bevolking. Er valt een onderscheid te maken tussen structuur en identiteit.

Structuur
Met structuur bedoelen we: aspecten die samenhangen met de sociale  en economische positie van migranten. Die valt te meten aan de hand van de situatie  van een groep op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en op de woningmarkt. Op al deze terreinen beginnen immigranten in de regel met een achterstand. Vaak zijn ze armer en werken ze in beroepen waarvoor niet veel scholing nodig is. Men woont in slechtere wijken en de kinderen doen het minder goed op school dan hun Nederlandse leeftijdgenoten.

Identiteit
Identiteit heeft te maken hebben met de mate waarin mensen zich met een nieuwe samenleving identificeren, of juist met de eigen groep. Dan gaat het om: met wie wordt gehuwd, de samenstelling van de vriendenkring, het lidmaatschap van verenigingen. Maar ook om de contacten met het land van herkomst. In het begin trouwen migranten vrijwel altijd onderling en zoekt men zijn vrienden hoofdzakelijk in de eigen kring. Ook is er behoefte aan eigen verenigingen en worden al dan niet intensieve contacten onderhouden met het land van herkomst. Vroeger schreven migranten veel brieven of stuurden ze ingesproken cassettebandjes op, tegenwoordig wordt er veel gebeld en e-mailcontact onderhouden. Maar transnationale banden, dat wil zeggen contacten over de grenzen heen, uiten zich ook in het sturen van geld naar familieleden. Verder door het investeren in onroerend goed en het geregeld bezoeken van het thuisland.

De uitkomst van het integratieproces wordt bepaald door de kenmerken van immigranten zelf en door de ontvangende samenleving. Wij gebruiken daarvoor de termen positieverwerving en positietoewijzing.

Positiewerving
De mogelijkheden en inspanningen van migranten zelf – zeg maar hun bagage – bepalen de mate van positieverwerving. Zo is analfabetisme een nadeel in een hooggeletterd land, terwijl technische en handvaardige bekwaamheden een voordeel zijn. Dit soort kenmerken vatten we samen met het begrip ‘menselijk kapitaal’: vaardigheden, talenten en scholing. Hoe groter dat kapitaal is, des te sneller weten immigranten maatschappelijk hun plek te vinden. Daarnaast beschikken zij over ‘cultureel kapitaal’, zoals hun netwerken, familiebanden en hun religie. Groepen met een andere godsdienst dan de gangbare in een land – denk aan het Jodendom in de 16e eeuw of de Islam en het Hindoeïsme in de recente tijd -  houden doorgaans langer vast aan hun eigen identiteit. Dat komt tot uiting in onderlinge huwelijken en vriendschappen, en in eigen verenigingen of zelforganisaties.

Positietoewijzing
Positietoewijzing wordt niet zozeer bepaald door de houding van individuele Nederlanders, maar vooral door het gedrag van de overheid en dat van maatschappelijke instellingen. Het spreekt overigens voor zich, dat een positieve houding van een samenleving tegenover immigratie heel wat prettiger voelt dan een tegen immigratie gerichte stemming. Maar de positie van een nieuwkomer wordt met name bepaald door wat de overheid doet op het vlak van wetgeving bij toelating en vestiging. Maar ook door de maatregelen die overheden nemen ter bevordering van de integratie. Daarnaast is het maatschappelijk middenveld van belang. In vroeger eeuwen konden gilden immigranten gemakkelijk opnemen, dan wel juist weigeren, zoals meestal bij joden gebeurde. Vakbonden kunnen immigranten links laten liggen of hen actief proberen te werven. Kerken kunnen geloofsgenoten van elders bijstaan, zoals synagogen, Lutherse kerken en de Églises Wallonnes in het verleden deden en moskeeverenigingen nu. Maar hetzelfde geldt voor de hulp van christelijke kerken aan vluchtelingen

Integratie kent vele aspecten, dus zijn er meerdere uitkomsten mogelijk. Sommige migranten halen hun achterstand op structureel vlak snel in, maar blijven intussen sterk vasthouden aan hun eigen cultuur. Dat geldt bijvoorbeeld voor Chinezen en Hindoestaanse Surinamers. Voorbeelden uit een verder verleden zijn de afstammelingen van Franstalige Hugenoten, die veel langer dan drie generaties hebben vastgehouden aan het onderlinge gebruik van de Franse taal. Dit is nog altijd zichtbaar in de Église Wallonne. Denk verder aan de afstammelingen van joodse immigranten. Ook zij hielden vast aan het voorvaderlijk geloof en bepaalde gebruiken die daarbij horen, zoals het respecteren van de sabbat. Iets dergelijks lijkt nu ook te gebeuren met de nazaten van immigranten die het moslimgeloof belijden.
Wat ook voorkomt, is dat het de nakomelingen van immigranten sociaaleconomisch helemaal niet zo voor de wind gaat, maar dat ze na verloop van tijd wel hun etniciteit verliezen. Dat lijkt zo gegaan te zijn bij arme Scandinavische immigranten in de 17e en 18e eeuw. Vandaar dat het niet meevalt om algemene uitspraken te doen over dé integratie – het beeld is vaak gemengd. Een overzicht van vijf eeuwen legt echter wel een bepaald patroon bloot. Dat komt erop neer dat de kleinkinderen van immigranten (de derde generatie) grotendeels of geheel is geïntegreerd in de omringende samenleving. Wanneer zij in geen enkel opzicht meer zijn te onderscheiden van de rest van de bevolking en zij ook zichzelf niet meer als anders zien, dan spreken we van ‘assimilatie’. Het overgrote deel van de immigranten die naar Nederlands zijn gekomen, is uiteindelijk geassimileerd. Het gros van hun nakomelingen weet zelfs niet eens meer dat zij van immigranten afstammen.

De migratiegeschiedenis leert dat het volledige integratieproces meerdere generaties duurt, in de regel drie à vier. Het economisch opklimmen neemt tijd en verloopt dikwijls via verschillende banen. Het leren beheersen van de taal lukt doorgaans pas in de tweede generatie. De nazaten zijn in principe dus in staat om volop gebruik te maken van de mogelijkheden die het nationale schoolsysteem biedt. Wanneer er economisch en maatschappelijk gelijkheid is bereikt, ontstaan er meestal ook meer gemengde huwelijken. Hoewel er ook (vooral) godsdienstige overtuigingen kunnen zijn die dat tegengaan. Tegelijkertijd kan er dan wel degelijk sprake zijn van maatschappelijke integratie.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM