Uitgebreid zoeken

Migratiecijfers

De immigratie- en emigratiecijfers zijn gebaseerd op de gemeentelijke bevolkingsregisters. Mensen die zich niet inschrijven na aankomst of die zich niet afmelden bij vertrek zijn niet in de tabellen opgenomen. Het is niet bekend hoeveel immigranten Nederland binnenkwamen zonder geregistreerd te zijn. Voor emigratie is achteraf wel een correctie mogelijk omdat mensen na verloop van tijd niet meer aanwezig blijken. Voor de totale emigratie uit Nederland zijn vanaf 1977 gecorrigeerde cijfers beschikbaar, maar niet afzonderlijk voor Nederlanders en niet-Nederlanders. Daarom zijn deze grafieken gebaseerd op ongecorrigeerde cijfers. Emigranten die zich niet afmeldden blijven daarmee buiten beschouwing. Volgens het CBS was dat een aanzienlijke groep. De correcties zijn eind jaren zeventig gering (3%) maar lopen op naar 20% in 1990, 30% in 1995 en 52% in 2003. Daarna daalde het percentage weer. Over de hele periode vanaf 1977 gaat het om ongeveer 25% van de geregistreerde emigratie.

Gouden Eeuw

Met de opkomst van een onafhankelijke Nederlandse Republiek aan het einde van de 16e eeuw nam de migratie uit het buitenland navenant toe. Belangrijkste reden was de fenomenale economische groei in de kustprovincies Zeeland en Holland. Gelegen aan de Atlantische Oceaan profiteerden zij optimaal van de verschuiving van het economische zwaartepunt van de Middellandse Zee naar Noord-West Europa. Door de internationale handel, maar ook de commerciële landbouw en stedelijke nijverheid (textiel, voeding) was er een grote vraag naar zowel ongeschoolde als geschoolde arbeid. Dat de Republiek ook nog eens een relatief grote mate van godsdienstvrijheid bood, was een extra reden voor met name joodse en protestantse migranten om zich hier te vestigen. Daarmee ontstond een belangrijke bovenlaag van handelaren, kooplieden, intellectuelen en ondernemers in culturele industrieën, zoals de uitgeverij en boekdrukkunst. Tot slot vormden de zeehavens van Amsterdam, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen een magneet voor een constante vraag naar zeelieden en soldaten door de VOC. Deze zeer gevarieerde en constante toestroom van migranten zorgde voor een bijzonder kosmopolitische atmosfeer in Hollandse steden en droegen zo bij aan tal van technische en culturele innovaties. Het is dan ook niet overdreven om te stellen dat de Gouden Eeuw zonder deze twee eeuwen voortdurende massa-immigratie onvoorstelbaar geweest zou zijn.

19de eeuw

In de negentiende eeuw verloor de Republiek zijn dominante positie aan omringende landen als Engeland, Duitsland en Frankrijk, die bovendien op grote schaal industrialiseerden. De immigratie liep sterk terug, hoewel nieuwkomers (zoals Duitse handelaars en winkeliers, maar ook Italiaanse schoorsteenvegers en later terrazzowerkers) een impuls bleven geven aan het economisch leven. In de grensstreken (Limburg) valt zelfs een omgekeerde beweging te constateren: Nederlanders die massaal in het Duitse Ruhrgebied gingen werken. Na de Eerste Wereldoorlog nam de immigratie toe, met name uit Duitsland, totdat de mondiale economische crisis hier een einde aan maakte. Met uitzondering van (joodse) vluchtelingen uit Nazi-Duitsland.

1945-nu

Na de Tweede Wereldoorlog zien we twee tegengestelde bewegingen. Een omvangrijke emigratie (vooral tot midden jaren vijftig) naar overzeese gebieden, en een bijna net zo omvangrijke immigratie (300.000) uit het voormalige Nederlands-Indië. Deze koloniale migranten werden op de voet gevolgd door de eerste gastarbeiders uit Zuid-Europa (Italië en Spanje) en later Turkije en Marokko. Zij allen waren zeer gewild in de industrie. De migratie uit mediterranne landen nam pas echt spectaculair toe tussen 1975 en 1990, toen de gezinshereniging op gang kwam. De vestiging van gezinsleden viel samen met de komst van tienduizenden Surinamers onmiddellijk voor en na de onafhankelijkheid in 1975. Gevolgd door een aanzienlijk aantal asielzoekers vanaf de jaren tachtig. Deze tweede ‘massa-immigratie’ sinds de Gouden Eeuw, was economisch gezien minder goed getimed, omdat die samenviel met een kwakkelende economie en zeer hoge werkloosheidscijfers in de jaren tachtig. Vanaf het einde van de 20e eeuw neemt de vraag naar arbeid, met name in de land- en tuinbouw, in de industrie en dienstverlening, weer toe. Met als gevolg een vooral vlottende bevolking van arbeidsmigranten uit Oost-Europa, met name uit Polen. Tot slot kent Nederland, net als in vroeger eeuwen, veel migranten aan de bovenkant van de arbeidsmarkt. Zij komen uit Europese landen, maar ook uit India, Japan en de Verenigde Staten. Zij leveren aantoonbaar een belangrijke bijdrage aan de innovatieve kracht van de Nederlandse economie.

Wanneer we over vluchtelingen spreken, moeten we allereerst een onderscheid maken tussen uitgenodigde vluchtelingen en asielzoekers.

Uitgenodigde vluchtelingen vluchtten vanuit hun land van herkomst naar een omliggend land, waar zij vaak verbleven in vluchtelingenkampen. De Nederlandse regering besloot om het leed in die landen iets te verzachten en stond enkele groepen toe zich als vluchteling in Nederland te vestigen. Nog altijd nodigt Nederland jaarlijks zo’n 500 vluchtelingen uit voor hervestiging. Zij hoeven voordat ze naar Nederland overkomen niet eerst een asielverzoek in te dienen. Tussen 2008 en 2016 werden voornamelijk vluchtelingen uit Pakistan (140), Congo (230), Eritrea (480) en Syrië (1010) door de Nederlandse regering uitgenodigd. In de tabel 1 zijn de belangrijkste groepen tot 1989 weergegeven.

Figuur 1. Uitgenodigde vluchtelingen

 

 

 

 

 


Bij asielzoekers gaat het om mensen die uit eigen beweging een goed heenkomen zoeken. Tot aan 1980 schommelde het aantal asielzoekers rond de 500 per jaar. Daarna nam dit aantal toe en zien we grote fluctuaties, zoals onderstaande grafiek laat zien. Deze worden vooral bepaald door burgeroorlogen en revoluties elders op de wereld. Enerzijds gaat het om een toename van mensenrechtenschendingen, zoals in Sri Lanka, Somalië en in het Iran van Khomeini, anderzijds werd Europa beter bereikbaar. De pieken in de jaren negentig zijn te verklaren door de burgeroorlog in Joegoslavië en de conflicten in het Midden-Oosten en (Noord-)Afrika. Niet iedereen die om asiel vraagt, mag in Nederland blijven, maar we weten weinig over de slagingskans voor asielzoekers door de tijd heen. Er bestaan wel cijfers over de succeskans in eerste aanleg, welke overigens per nationaliteit sterk verschillen, maar lang niet iedereen die een afwijzende beschikking krijgt vertrekt ook daadwerkelijk. Na een periode van illegaal verblijf kan een afgewezen asielzoeker op andere gronden, zoals huwelijk of werk, alsnog een vergunning krijgen.

Tussen 2002 en 2013 is de instroom van het aantal asielzoekers relatief stabiel, met jaarlijks tussen 10.000 – 17.000 aanvragen. Vanaf 2013 is er een sterke toename te zien. De sterke stijging vanaf 2013 wordt veroorzaakt door de komst van tienduizenden vluchtelingen met name uit Syrië en Eritrea en in mindere mate uit Afghanistan, Iran en Irak. 2015 vormde met bijna 57.000 asielzoekers een piekjaar, maar het gemiddelde over de periode 2013-2017 is nog niet zo hoog als in de periode 1994-2000.

De herkomst van asielzoekers verandert voortdurend. Hoewel een aantal landen continu in de top vijf opduikt, zoals Iran en Somalië, komen andere landen slechts incidenteel voor. De uittocht uit Servië & Montenegro en Bosnië Herzegovina was (tot op heden) een eenmalige gebeurtenis.

Figuur 2. Asielverzoeken 1991-2017

Asielzoekers in Nederland 1980-2009Asielzoekers in Nederland 1980-2009

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 3. Top vijf herkomstlanden (tussen haakjes aantallen)

Bronnen: 

www.statline.cbs (aantallen asielzoekers tussen 1975 en 2017)

C. K. Berghuis, C. K., Geheel ontdaan van onbaatzuchtigheid: het Nederlandse toelatingsbeleid voor vluchtelingen en displaced persons van 1945 tot 1956 (Amsterdam 1999) 94 en 181.

D. Bronkhorst, Een tijd van komen. De geschiedenis van vluchtelingen in Nederland (Amsterdam 1990) 147-150.

J. W. ten Doesschate, Asielbeleid en Belangen. Het Nederlandse toelatingsbeleid ten aanzien van vluchtelingen in Nederland in de jaren 1968-1982 (Nijmegen 1993) 206-207.

J. Lucassen en L. Lucassen, Winnaars en verliezers. Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie (Amsterdam, 2011)

 

L. Lucassen, ‘Peeling an onion: the “refugee crisis” from a historical perspective’, in: ETHNIC AND RACIAL STUDIES, 2017, 1-28

Steden in de periode vóór 1800, en zo ook die in de provincies Noord- en Zuid-Holland, waren zeer ongezonde plekken om te wonen. Zij konden hun bevolking dan ook niet op peil houden door â€˜reproductie’. Anders gezegd, er gingen meer mensen dood dan dat er geboren werden. Dat kwam door het slechte water, onhygiënische omstandigheden en de grote kans op besmettelijke ziekten. Immigratie was dus bittere noodzaak. De omstandigheden op het platteland waren overigens gunstiger. Daar was juist een positief geboorte-overschot. Vandaar dat een groot deel van de migranten naar steden bestonden uit voormalige dorpsbewoners, zowel van binnen als buiten Nederland.

De belangrijkste steden in de Republiek lagen in de kustprovincies, met de beide Hollanden als kerngebied. Zij trokken, zeker in de economisch zeer gunstige 17e eeuw, bijzonder veel immigranten aan. De helft daarvan kwam uit het buitenland kwam, waarbij we vooral moeten denken aan het huidige België, Duitsland en Noorwegen. De overgrote meerderheid bestond uit arbeidsmigranten, dus niet uit vluchtelingen. Bij die laatste categorie moeten we vooral denken aan Zuid-Nederlanders (eind 16e eeuw), joden (rond 1600) en Hugenoten (eind 17e eeuw). Deze groepen liepen, zowel bij tijdgenoten als bij latere geschiedschrijvers, zeer in het oog. Dat kwam door de dramatische redenen van hun vertrek en hun plotselinge en massale komst. Maar zij vormden dus slechts een minderheid van de totale immigratie in de 17e en 18e eeuw. De volgende tabel laat dat zien.

Herkomst van migranten in Hollandse steden 1600-1800

Herkomst

Aantal

Hollandse platteland

200.000

Rest Republiek

400.000

Buitenland

600.000

- Vluchtelingen

150.000

- Arbeidsmigranten

450.000

Totaal

1.200.000


Bron:
Jan Lucassen, 'Immigranten in Holland 1600-1800. Een kwantitatieve benadering.' Amsterdam, Centrum voor de Geschiedenis van Migranten 2002.

Van alle mensen die in 1947 in Nederland woonden had bijna 99% de Nederlandse nationaliteit. Het aandeel niet-Nederlanders liep op van 1% tot ruim 4% in 2009. Hierbij is het overgrote deel van de migranten uit Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen niet meegeteld. Zij hadden de Nederlandse nationaliteit toen zij naar Nederland kwamen.
In 1947 hadden de meeste niet-Nederlanders de nationaliteit van een van de buurlanden: Duitsers en Belgen. Dat veranderde na 1960 toen gastarbeiders uit onder meer Italië en Spanje naar Nederland kwamen. Vooral het aantal Turken en Marokkanen nam sterk toe en vanaf 1975 was de Turkse bevolkingsgroep het grootst onder de niet-Nederlanders. Tussen 1990 en 2009 halveerde het aantal inwoners met (uitsluitend) de Turkse en Marokkaanse nationaliteit. Dat heeft te maken met grootschalige naturalisaties na 1990. Tussen 1996 en 2000 zijn bijna 130.000 Marokkanen en 110.000 Turken Nederlander geworden.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM