Uitgebreid zoeken

vluchtelingen

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) wilde het Duitse leger over Belgisch grondgebied naar Frankrijk. De Belgische regering hield echter vast aan haar neutraliteit en weigerde het verzoek om Duitse troepen vrije doortocht te geven. Het Duitse leger viel vervolgens België binnen en daarop vertrokken een miljoen Belgen, burgers maar ook soldaten, halsoverkop naar Nederland. Nog eens 500.000 mensen vluchtten naar Engeland of Frankrijk. Toen het oorlogsgeweld zich na oktober 1914 naar Frankrijk verplaatste keerden de meeste vluchtelingen terug naar huis. Zo'n 135.000 Belgen bleven echter tot het einde van de oorlog in Nederland wonen. Zij keerden pas na 1918 naar huis terug.

Toen Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, probeerden veel joden naar het buitenland te vluchten. Hoeveel joodse vluchtelingen tussen 1933 en 1940 naar Nederland zijn gekomen is niet bekend. Schattingen lopen uiteen van 35.000 tot maximaal 50.000 vluchtelingen. Daarvan keerde een deel terug of emigreerde naar andere landen. De meeste joodse vluchtelingen kwamen uit Duitsland. Het overgrote deel had de Duitse nationaliteit, de rest had de Poolse nationaliteit of was statenloos. Een klein deel van de joodse vluchtelingen kwam uit Oostenrijk.

In 1947 en 1948 liet de Nederlandse overheid 4.000 displaced persons toe. Met de term displaced persons werden vluchtelingen aangeduid die zich, door deportatie of andere gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog, na de bevrijding buiten de grenzen van het thuisland bevonden. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog waren miljoenen mensen in Europa verspreid geraakt. Velen keerden meteen na de bevrijding terug. Het bleek al snel dat ongeveer 1,6 miljoen Oost-Europeanen niet naar huis wilden, want daar waren de communisten nu aan de macht. Bovendien was de economie er slecht aan toe. Deze displaced persons bleven liever in de kampen waar zij waren opgevangen in Duitsland, Oostenrijk en Italië. Westerse landen namen hen vervolgens op, waarna de opvangkampen opgeheven werden.

Op 4 november 1956 viel de Sovjet-Unie Hongarije binnen. Het leger moest een eind maken aan massale demonstraties van opstandige Hongaren tegen het communistisch regime. Door het optreden van het Russische leger sloegen 225.000 Hongaren op de vlucht. De meeste vluchtelingen kwamen uit Boedapest. Het overgrote deel ging naar Oostenrijk. Een klein deel stak de grens met Joegoslavië over. Het Internationale Rode Kruis ving hen op in vluchtelingenkampen. De motieven om de grens over te steken waren niet uitsluitend van politieke aard. Hongarije was een arm land, en in het buitenland was veel meer werk te vinden en geld te verdienen. Het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties vroeg Nederland en andere landen om Hongaarse vluchtelingen op te nemen. Nederland liet daarop uiteindelijk 3300 Hongaarse vluchtelingen toe.

Hugenoten

Tussen 1680 en 1720 ontvluchtten waarschijnlijk zo’n 150.000 Franse protestanten - Hugenoten  genaamd - hun vaderland. Ongeveer 35.000 à 50.000 van hen kwamen naar Nederland. Veel Nederlandse steden waren blij met deze vluchtelingen, vanwege hun geld, kennis en contacten. Door hun komst kreeg de economie een stevige impuls. De Hugenoten kregen dan ook allerlei gunstige rechten. Zo hoefden ze bijvoorbeeld niet te betalen voor het lidmaatschap van de gilden. Toen na enige tijd bleek dat de migranten niet allemaal rijk waren, kwam er kritiek los. Bovendien werden de vluchtelingen belachelijk gemaakt om de manier waarop ze gekleed gingen en vanwege hun spraak. De Nederlanders vonden de Franse nieuwkomers wuft en arrogant.  Daar kwam bij dat ze lang vasthielden aan de Franse taal en hun eigen (Waalse) kerken.

Naast joden kwamen ook nog ongeveer 7.000 andere vluchtelingen naar Nederland in het decennium voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Zij vluchtten vanwege het naziregime. Dit waren vervolgde socialisten, communisten en trotskisten. En ook katholieken, kunstenaars en intellectuelen. Zij waren door het naziregime als vijanden bestempeld en daarom in Nederland op zoek naar veiligheid.

Gedurende de Koude Oorlog vormden Joegoslavische vluchtelingen één van de grootste groepen migranten, maar hun aantal telde zelden meer dan honderd per jaar. Dit veranderde na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn (in 1989). Na het begin van de burgeroorlog in Joegoslavië sloegen niet minder dan zes miljoen mensen op de vlucht. Aanvankelijk kwamen vooral veel Bosniërs naar Nederland; zowel Bosnische moslims, Serviërs als Kroaten. In 1999 bestond de grootste groep uit Kosovaren. De komst van voormalig Joegoslaven zorgde in 1994 voor het recordaantal van meer dan 50.000 asielzoekers, die aanvankelijk een tijdelijke ‘ontheemdenstatus’ kregen. Het idee was dat zij buiten de asielprocedure konden blijven, omdat zij zouden terugkeren wanneer de oorlog in hun land voorbij was. Dit gebeurde echter niet en vele jaren later kregen zij toch een asielstatus. Het waren alleen de Kosovaren die merendeels terugkeerden. De opvang in Nederland kon de grote aantallen niet aan, wat ertoe leidde dat mensen soms moesten overnachten in maïsvelden. Zulke toestanden leidden steevast tot felle politieke en publieke debatten.

Vluchtelingen

Nederland kent een lange geschiedenis van opvang van vluchtelingen. Vluchtelingen zijn migranten die huis en haard hebben verlaten en tijdelijk of permanent een heenkomen in het buitenland zoeken. Oorlog, vervolging of natuurrampen in het land van herkomst vormen vaak de belangrijkste motieven van een vluchteling. Daarbij kunnen ook economische overwegingen een rol spelen. Sinds de totstandkoming van het vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties in 1951 (zie asielbeleid), hebben alle aangesloten landen zoals Nederland zichzelf verplicht vluchtelingen die aan de VN-criteria voldoen toe te laten. In de periode voor de 19de eeuw was de houding van de autoriteiten ten opzichte van vluchtelingen heel anders. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bestond geen enkele verplichting iets aan de situatie van de gevluchte medemens te doen. Dit wil niet zeggen dat men onwelwillend tegenover vluchtelingen stond. Autoriteiten wisten dat vluchtelingen van economisch nut konden zijn. Was dit niet het geval, dan gingen ze naadloos op in de laagste klasse. Met de opkomst van de natiestaat veranderde de houding. Het werd belangrijk wie tot een bepaald land hoorde, en daarmee bepaalde rechten en plichten had, en wie de buitenstaanders. Er werd beleid ontwikkeld om de toegang van vreemdelingen, vluchtelingen inbegrepen, te regelen. In de 20ste eeuw nam het aantal vluchtelingen zo enorm toe, onder andere door de twee wereldoorlogen, dat het noodzakelijk werd een onderscheid te maken tussen vluchtelingen en andere migranten. Staten troffen onderling regelingen om de vluchtelingenbewegingen te controleren.

In het begin van de 20e eeuw is voor de Griekse migratie de periode van de Megali Katastrofi (grote catastrofe) van belang. Vanwege de Turkse overwinning op de Grieken in de stad Smyrna (Klein-Azië, het huidige Turkije), moesten meer dan een miljoen Grieken in 1922 hun geboortegrond ontvluchten. Zij vestigden zich voor een belangrijk deel op de Griekse eilanden in de Egeïsche Zee. Later vond een officiële uitwisseling plaats van Turkse minderheden in Griekenland en Griekse minderheden in Klein-Azië, zoals was vastgelegd in het Verdrag van Lausanne (1923). De officiële naam van de stad Smyrna was toen door de Turkse overheid al veranderd in de huidige naam: İzmir.
De gevluchte Grieken vestigden zich niet alleen in Griekenland, maar trokken ook door naar andere delen van Europa en naar de Verenigde Staten. In Nederland richtte een aantal van hen ondernemingen op, waarmee zij in het spoor van eerder gemigreerde landgenoten traden, zoals de sigarettenfabrikanten Yokarinis (Amsterdam) en Vafiadis (Bilthoven). Vanaf de jaren twintig handelden Cleomene Aridjis en Charilaos Chiotakis in Utrecht respectievelijk in wijn en bont. Onder de Grieken uit Klein-Azië die zich in België vestigden, bevonden zich Leonidas Kestekides en Jean Daskalidès. Zij zouden met het maken van pralines internationale faam verwerven.
In Rotterdam bevond zich vóór de Tweede Wereldoorlog een kleine gemeenschap van voormalige Griekse zeelieden die zich bezighielden met aan de scheepvaart gerelateerde activiteiten. Naast scheepsbevoorraders en -agenten kon men in het havengebied ook Griekse cafés en restaurants aantreffen. Afgemonsterde zeelieden deden er boodschappen voor scheepsbemanningen. Ze probeerden kleine artikelen zoals sigaretten en chocolade op hun handkarren te verkopen of vanaf de motorbootjes waarmee ze langs de schepen voeren.

Meer:
Cleomene Aridjis een Griekse ondernemer
Charilaos Chiotakis, bonthandelaar

Chileense vluchtelingen kwamen naar Nederland na de militaire staatsgreep in Chili op 11 september 1973. Het dramatische verloop van de staatsgreep, waarbij de democratisch gekozen sociaaldemocratische president Allende door de militaire junta aan de kant werd gezet, werd door de Nederlanders via de televisie gevolgd. Linkse studenten vluchtten de bergen in en werden later door Nederlandse paters naar de Nederlandse ambassade geloodst. Premier Den Uyl nodigde 150 vluchtelingen uit om naar Nederland te komen. Eenmaal in Nederland hielden veel van hen lezingen in het hele land. Ze volgden geen lessen Nederlands, maar gaven Spaans aan Nederlandse vrouwen. Ze hoopten spoedig naar Chili te kunnen terugkeren, en toen dat niet lukte hadden ze het gevoel hun strijdmakkers in de steek te hebben gelaten. Andere vluchtelingen kwamen niet op uitnodiging, maar via allerlei omwegen op eigen gelegenheid. De Chileense vluchtelingen zagen hun verblijf in Nederland, zoals dat gold voor veel andere vluchtelingen, als tijdelijk. De Chileense vluchtelingen werden centraal opgevangen. In de opvangcentra heerste grote verdeeldheid tussen groepen Chilenen met verschillende achtergrond. Van de ruim tweeduizend vluchtelingen keerde na verloop van tijd ruim de helft terug naar hun land.

Wanneer, hoe en waarom spelen non-gouvernementele organisaties (NGOs) die zich hardmaken voor de bescherming van vluchtelingen, zoals bijvoorbeeld Amnesty International en het Rode Kruis, een rol in het bepalen van het beleid in Europa? Hebben zij een belangrijke rol en hoeveel invloed oefenen zij uit op het vluchtelingenbeleid? Een sleutelmoment in de Europese geschiedenis van het vluchtelingenbeleid was de introductie van het eerste vluchtelingenpaspoort: het Nansenpaspoort uit 1922.

Er is veel informatie te vinden betreffende de rol van NGOs bij de totstandkoming van het Nansenpaspoort in de archieven van overheden, NGOs en intergouvernementele organisaties (IGOs). Denk hierbij aan uiteenlopende documenten zoals notulen van vergaderingen en conferenties, correspondentie, verslagen, jaarboeken, bulletins en krantenartikelen. Met dit bronnenmateriaal kunnen vragen beantwoord worden als: wat was het Nansenpaspoort precies? Hoe kwam het tot stand? Hoe waren NGOs betrokken en wat zegt het over de positie en impact van NGOs?

Deze pagina is tot stand gekomen op basis van onderzoek van Teuntje Vosters. In haar promotieonderzoek aan de Universiteit Leiden onderzoekt zij de rol van NGOs tijdens vijf ‘sleutelmomenten’ in de 20ste eeuw . De vijf sleutelmomenten waren cruciale momenten van debat, crisis en/of verandering in de Europese geschiedenis van het vluchtelingebeleid. Een van die sleutelmoment is de introductie van het Nansenpaspoort in 1922.

Wanneer, hoe en waarom spelen non-gouvernementele organisaties (NGOs) die zich hardmaken voor de bescherming van vluchtelingen, zoals bijvoorbeeld Amnesty International en het Rode Kruis, een rol in het bepalen van het beleid in Europa? Hebben zij een belangrijke rol en hoeveel invloed oefenen zij uit op het vluchtelingenbeleid? Een sleutelmoment in de Europese geschiedenis van het vluchtelingenbeleid was de introductie van het eerste vluchtelingenpaspoort: het Nansenpaspoort uit 1922.

Er is veel informatie te vinden betreffende de rol van NGOs bij de totstandkoming van het Nansenpaspoort in de archieven van overheden, NGOs en intergouvernementele organisaties (IGOs). Denk hierbij aan uiteenlopende documenten zoals notulen van vergaderingen en conferenties, correspondentie, verslagen, jaarboeken, bulletins en krantenartikelen. Met dit bronnenmateriaal kunnen vragen beantwoord worden als: wat was het Nansenpaspoort precies? Hoe kwam het tot stand? Hoe waren NGOs betrokken en wat zegt het over de positie en impact van NGOs?

Deze pagina is tot stand gekomen op basis van onderzoek van Teuntje Vosters. In haar promotieonderzoek aan de Universiteit Leiden onderzoekt zij de rol van NGOs tijdens vijf ‘sleutelmomenten’ in de 20ste eeuw . De vijf sleutelmomenten waren cruciale momenten van debat, crisis en/of verandering in de Europese geschiedenis van het vluchtelingebeleid. Een van die sleutelmoment is de introductie van het Nansenpaspoort in 1922.

Het boek 'Achterlaten en opnieuw beginnen' biedt een bijzondere kijk op vluchtelingen die sinds de zestiende eeuw in Nederland vestigden. Mensen die de Republiek en later het Koninkrijk der Nederlanden als een veilige haven beschouwden omdat ze zich thuis bedreigd voelden; maar ook de recente vluchtelingen die na de Tweede Wereldoorlog wegens allerlei gewapende conflicten uit alle windstreken hierheen kwamen. Van hen zijn er de laatste jaren in het project Ongekend Bijzonder 248 geïnterviewd. Daarmee is een schat aan tot nu toe onbekende gegevens over vluchtelingen en hun ervaringen beschikbaar gekomen: voor studie, voor onderzoek, of gewoon, om kennis te nemen van wat mensen overkwam en wat mensen dreef.

Naast 27 historische portretten worden twintig geïnterviewden uit Ongekend Bijzonder in het boek geportretteerd. Hien Nguyen is een van hen. Hij was apotheker in Vietnam, besloot met vrouw en kind te vluchten voor het communistisch bewind, dreef vier nachten op een gammel bootje en werd door een Nederlands schip opgepikt. Zo kwam hij in oktober 1980 als vluchteling naar ons land, hij werd apotheker in Diemen en penningmeester van de ehbo-vereniging in Maarssen. Totaal geïntegreerd, al kan hij aan één ding niet wennen: ‘Het koekblik dat dichtgaat na het tweede kopje koffie, dat kenden wij niet in Vietnam.’

Al die verhalen, al die geportretteerde vluchtelingen – ze geven een ongekend geschakeerd beeld van de Nederlandse samenleving. En van de worsteling die het betekent om een nieuw leven te beginnen, ver weg van waar je vandaan komt. Esad Efendić woonde in Portočari en vluchtte er weg, op tijd om te ontkomen aan de massaslachting onder Bosnische mannen in Srebrenica. Nu is hij al jaren docent economie aan het Zadkine College in Rotterdam. Rotterdam – volgens Efendić na het bombardement van 1940 een stad zonder hart: ‘Bij een vluchteling is het hart er eigenlijk ook een beetje uitgetrokken. Mijn hart ligt daar, ik zit hier.’ 'Achterlaten en opnieuw beginnen' is een voortdurende les in het begrijpen van de ander. Dat maakt het boek zo belangrijk, voor iedereen.

(De tekst is gebaseerd op het voorwoord van Ad van Liempt bij 'Achterlaten en opnieuw beginnen. Vluchtelingen in Nederland, toen en nu', van de auteur Elias van der Plicht, uitgegeven door Uitgeverij Prometheus in opdracht van Stichting BMP / Ongekend Bijzonder. Het boek is verkrijgbaar in de boekhandel.)

Deze themapagina over het boek 'Achterlaten en opnieuw beginnen' is tot stand gekomen in samenwerking met het oral history project Ongekend Bijzonder.

Een jaar of negen was Tiffany toen haar ouders in 1981 hun tien kinderen verdeeld in groepjes lieten vluchten uit Vietnam. ‘Nu ik zelf moeder ben weet ik hoe moeilijk het is je kind los te laten, maar ze wisten hoe het is om in onderdrukking te leven en wilden ons vrijheid geven.’ Tiffany moest mee met het gezin van haar zus, die zelf twee kinderen had. De kapitein van de boot waarmee ze vluchtten had geen kompas en geen kaart en na een week stopte de motor. ‘Vanaf het moment dat het eten en drinken op was, ging er elke dag wel iemand dood. Er werd zelfs een kindje geboren, maar moeder en kind stierven al snel. Leven en dood, ze staan dicht bij elkaar. Ik snapte er helemaal niets van.’ Na 21 dagen werden de vluchtelingen opgepikt door een Nederlands schip, de ‘Antilla Bay’. ‘We waren welkome vluchtelingen, Nederland was toen nog heel tolerant en we kregen direct een vluchtelingenstatus.’

Tiffany kwam in de winter aan en werd opgevangen in Steenwijkerwold. Drie maanden kreeg ze daar les, waarna ze naar de reguliere basisschool ging, ‘als enige buitenlander in dat gehuchtje.’ Na ongeveer een jaar werd het gezin in Zwolle ondergebracht waar ze woonde in het gezin van haar zus. Dat ging zo door tot Tiffany besloot haar eigen weg te gaan: ‘Leven in plaats van overleven.’ Ze haalde haar havodiploma, vervolgens haar hbo-diploma en had diverse banen. Ze trouwde in 2003 en woonde in De Meern. In deze periode verwerkte ze haar traumatische vluchtverleden door haar verhaal op te schrijven, te lezen en erover te praten. Ze kwam erachter dat ze iets met haar vluchtverleden wilde doen. In de avonduren volgde ze een coachingsopleiding om met de opgedane kennis anderen te kunnen helpen. Nu runt ze Power2Me, haar eigen coachingsbedrijf dat vluchtelingen helpt hun verhaal te vertellen. ‘Zo ontdekken ze wie ze zijn en wat ze willen. Verder wil ik als spreekster de stem zijn van hen die hun vluchtverhaal zelf niet meer kunnen navertellen, om op die manier meer begrip te genereren voor de positie van vluchtelingen. Ik was een onzeker, onzichtbaar meisje, maar toen ik naar mijn hart ging luisteren heeft mij dat gebracht waar ik nu ben.’

Lees meer over Tiffany en haar rol als veldwerker bij Ongekend Bijzonder.

Hien Nguyen woonde lange tijd in de hoofdstad Saigon, die sinds 1975 Ho Chi Minhstad heet. Tijdens zijn militaire dienst studeerde hij farmacie en toen hij in 1973 afstudeerde was hij luitenant. Na de verovering van zijn woonplaats door de communisten kwam Hien in verschillende heropvoedingskampen terecht. ‘In gevangenschap moet je altijd proberen positief te leven. Anders ga je dood.’ Muziek hielp hem daarbij. In 1977 kwam Hien vrij. Hij trouwde en werkte tweeëneenhalf jaar als apotheker. Na de geboorte van zijn dochter was de situatie zo nijpend dat hij besloot te vluchten uit Vietnam. Na vier nachten op een kleine boot werden de vluchtelingen opgepikt door het Nederlandse schip Smit-Lloyd 104 en naar Singapore gebracht. Van daaruit kwam Hien in oktober 1980 in Nederland terecht, waar in een opvangcentrum zijn zoon werd geboren. ‘We kenden Nederland alleen van de tulpen, poedermelk en Philips.’

In Groningen volgde hij de studie farmacie, waar hij twee jaar kon overslaan met zijn Vietnamese diploma. Zijn gezin kreeg een huis in Groningen en vanaf dat moment begon Hien te acclimatiseren en de positieve kanten van Nederland te zien. Aan één ding wende hij echter nooit: ‘Het koekblik dat dichtgaat na het tweede kopje koffie, dat kenden wij niet in Vietnam en daar maken we grapjes over.’

Na zijn afstuderen in 1987 kostte het Hien moeite werk te vinden. Na zo’n 35 vergeefse sollicitaties kreeg hij via een vriend een baan bij het farmaceutische bedrijf acf in Maarssen. Met zijn gezin verliet hij Groningen en vestigde zich in Maarssen, waar hij nog altijd woont. ‘Voor mij maakt het niet zoveel uit waar ik woon, als het maar geen klein dorp is met sociale controle. Dat doet me denken aan het communisme in Vietnam.’ In 1990 ging afc failliet en vond Hien nieuw werk als apotheker in Diemen, waar hij nu nog werkzaam is. Hij is verder penningmeester bij de Maarssense ehbo-vereniging, en gaf cursussen Vietnamees en verzorgde kooklessen. ‘Daarmee creëerde ik contact voor mensen. De eenzaamheid in Nederland is enorm.’ Hoewel Hien in Nederland een actief leven leidt en er beter de weg kent dan in Vietnam, ziet hij het niet als zijn tweede vaderland. ‘Toen ik hier kwam, was mijn droom dat de communisten weg zouden gaan en we terug naar Vietnam konden. Nederland is prachtig, de mensen zijn goed en ik heb hier alles gekregen. Maar ik denk altijd: dit land is van de Nederlanders, niet van mij.’

Lees meer over het levensverhaal van Hien en andere vluchtelingen uit Vietnam of andere landen op Ongekend Bijzonder.

In het kleine Zuid-Chileense dorpje La Union, werd Juan Heinsohn Huala geboren als een van de zeven kinderen van Ulises en Maria. Juans familie steunde de socialistische partij en regering van Salvador Allende in Chili voor 100 procent, zijn vader niet in het minst. Twee dagen nadat de militairen in september 1973 de macht grepen, werden Juans vader en een broer opgepakt. Toen zijn vader na meer dan drie jaar werd vrijgelaten, besloot hij naar Argentinië te vluchten. Na een jaar werd het gezin uitgenodigd om vanuit Argentinië naar Nederland te komen. Het was koud en mistig toen Juan als twintigjarige in februari 1979 op Schiphol arriveerde. Desondanks was de ontvangst warm. ‘Er was een welkomstcomité, totaal anders dan het nu gaat met vluchtelingen. Zelfs de koelkast in het ons toegewezen appartement in Amsterdam Zuid zat vol eten.’

In Nederland woonden al Chilenen van dezelfde politieke richting die de nieuwkomers wegwijs maakten. Juan begon met het leren van Nederlands. In Amsterdam was hij getuige van de rellen rond de inhuldiging van koningin Beatrix. Die gebeurtenis verwerkte Juan in zijn kunst. Juan exposeerde, er verscheen een boekje met zijn werk en hij richtte met een collega een brigade op die door het hele land muurschilderingen maakte.

Zijn eerste expositie in Nederland bracht Juan naar Rotterdam, waar hij na twee jaar ging wonen. Naast het bezig zijn met eigen werk, hielp Juan in het Salvador Allende Centrum met de organisatie van culturele activiteiten. Verder is hij programmeur geweest van het Mandela Festival, Poetry Park en het Dunya Festival. Met zijn vrouw en kinderen verhuisde Juan naar de wijk Delfshaven. Ondertussen woont hij meer dan twintig jaar in deze multiculturele buurt. Juan organiseert er culturele projecten, onder meer een kinderatelier.               Ook voor culturele activiteiten in Rotterdam als geheel maakt Juan zich hard. ‘Rotterdam is mijn huis. Het is goed te weten wie er in je huis wonen. Ik denk dat Rotterdam op dit moment nog niet ten volle geniet van de culturele diversiteit die er is. Mijn droom is dat Rotterdammers open kijken naar diversiteit in afkomst, religie en seksualiteit en dat cultuur voor iedereen is.’

Lees meer over Juan en over zijn rol als veldwerker bij Ongekend Bijzonder.

Als oudste in een gezin met vader, moeder en twee zussen groeide Esad Efendic op in Potočari, een dorpje in de gemeente Srebrenica. Begin 1992, toen Bosnië-Herzegovina een onafhankelijk land werd, realiseerde Esad zich dat er oorlog zou uitbreken en dat de Bosniërs, die geen leger hadden, kansloos waren. ‘Dus ik heb besloten om weg te gaan. Dat was de moeilijkste beslissing in mijn leven.’ Na een aantal jaar in Nederlandse vluchtelingencentra belandde Esad in Rotterdam. Hij trouwde, kreeg twee kinderen, leerde Nederlands en vond een baan in de logistiek. Diep in zijn hart wilde Esad altijd leraar worden. Tijdens zijn studie solliciteerde hij op drie vacatures voor docent economie en werd voor alle drie aangenomen. Het werd het Zadkine College, waaraan hij nu nog als leraar verbonden is. Hij werkt graag met mensen en vindt het mooi de leerlingen te zien groeien: ‘Na vier jaar studie zie je heel andere mensen de deur uit gaan.’

Ieder jaar gaat Esad naar Bosnië. ‘Onze jaarwisseling is niet 31 januari. Wij leven van 11 juli tot 11 juli.’ Dat is de herdenkingsdag van de massamoord in Srebrenica en een dag van begrafenissen. Tot nu toe ging er geen jaar voorbij waarin Esad niemand te begraven had. Een oom, een neef, een vriend. Hij grijpt alle mogelijkheden aan om het verhaal van Srebrenica, de grootste massamoord op Europees grondgebied sinds de Tweede Wereldoorlog, op de kaart te zetten. ‘Het is niet zo lang geleden. Maar we zijn het in Europa wel aan het vergeten.’

Vanuit Nederland is Esad altijd bij Bosnië betrokken gebleven. In 1993 richtte hij bijvoorbeeld de humanitaire hulpvereniging Guber op, voor vluchtelingen uit Srebrenica. Ook stond Esad in 1996 aan de basis van de Bosnische jongerenvereniging Asik in Rotterdam. De activiteiten die Esad organiseerde waren ook bedoeld om in contact te komen met de Nederlandse samenleving. ‘Ik ben zo veel mensen in de stad tegengekomen, die vooroordelen hadden. Maar als je met hen in gesprek raakt en leert kennen, dan verandert dat en gaan ze met andere ogen naar de zaken kijken. Dat vind ik fijn.’

Naast een Bosnische tongval heeft Esad ook een Rotterdams accent. Feyenoord noemt hij zijn ‘eigen cluppie’. Hoewel Esad van Rotterdam houdt, zou hij ook terug willen naar Bosnië. ‘Maar misschien wil ik vooral terug in de tijd.’ Rotterdam werd bij het bombardement in de Tweede Wereldoorlog een stad zonder hart. ‘Bij een vluchteling is het hart er eigenlijk ook een beetje uitgetrokken. Mijn hart ligt daar, ik zit hier.’

Lees meer over Esad of bekijk dit filmpje met fragmenten uit Ongekend Bijzonder waarin mensen vertellen over Rotterdam.

Musicus Monir Albaiyati, die als artiestennaam ook wel Monir Goran hanteert, werd in 1975 geboren in de Koerdische stad Kirkuk, in het noorden van Irak. Toen Monir vijf jaar was, brak de oorlog tussen Irak en Iran uit. Dat tekende zijn jeugd, al heeft hij ook goede herinneringen aan die tijd.

Van jongs af aan speelt Monir gitaar en oed en zingt daarbij. De oed is een Midden-Oosterse voorloper van de gitaar die met plectrum wordt bespeeld. Monir studeerde muziek in Bagdad, gaf vervolgens les in Jordanië en maakte deel uit van de band Al-Nagam-Alasil, waarmee hij optrad op festivals.

Toen hij drieëntwintig was, ontvluchtte Monir Irak. Eind 1999 kwam hij via België Nederland binnen. Monir verbleef eerst in een asielzoekerscentrum in Maastricht, woonde daarna een tijdje in Geleen en sinds eind 2000 in Utrecht. Nadat hij de Nederlandse taal had geleerd, studeerde hij klassiek gitaar aan het conservatorium in Arnhem.

Zijn komst naar Nederland ziet Monir als een nieuwe geboorte: ‘Je gaat jezelf – je persoonlijkheid, je gevoelens, je karakter – opnieuw ontdekken doordat de omgeving is veranderd. Ook heb ik dankzij Nederland mijn eigen cultuur beter leren kennen.’ Hij trad geregeld op in RASA, het Bimhuis, in Paradiso en in het Bob Vlakehuis, een kunst- en cultuurhuis voor gevluchte kunstenaars en musici en speelde ook mee bij de Stadsopera Onderweg.

De muziek bracht Monir in gesprek met westerse musici die geen idee hadden van de oosterse muziek. Monir zette een project op waarin hij de oed combineerde met westerse instrumenten als piano en klarinet: ‘muzikale integratie’, noemt hij dat. Het resulteerde in de goed verkochte cd Onder een andere hemel (2010). Monir speelt ook muziek van Erik Satie op de oud. ‘In Nederland kun je als muzikant nooit rijk worden, maar muziek maakt me vanbinnen rijk. Het laat je, net als literatuur, ontdekken wie je bent. Muziek brengt me tot rust en ik doe mijn best ook andere mensen blij en nieuwsgierig te maken met mijn muziek.’

Lees meer over Monir op de website van Ongekend Bijzonder.

Met haar ouders, broer en een nanny bracht Mónica Acuña Montecinos haar jeugdjaren door in een middenklassebuurt van de Chileense hoofdstad Santiago. Het gezin was katholiek en de politieke kleur thuis was die van de christendemocraten. Mónica hielp vanaf haar zeventiende bij activiteiten voor kinderen van de parochie in haar buurt en later werkte zij als leidster van jeugdactiviteiten die door Canadese en Hollandse missionarissen werden georganiseerd. In 1971 trouwde Mónica met haar inmiddels overleden echtgenoot Joop,  een Nederlands priester en missionaris in Chili. Ze trouwden in 1971 en kregen een dochter.

Tijdens de militaire staatsgreep van september 1973 was Mónica in verwachting van hun tweede kind. ‘Vanuit ons huis zagen we het presidentiële paleis La Moneda branden. Naast de verdwijningen en martelingen vond ik het ergste dat mensen van hun hoop werden beroofd.’

Haar man Joop – bekend om zijn politieke werk – negeerde een oproep van de rechtse coupplegers om zich te melden. Hij werd gezocht en met de dood bedreigd. Veel van zijn collega’s waren al gevangengenomen. Hij heeft vijf dagen ondergedoken gezeten bij familie en vrienden, waarna hij zich meldde bij de Nederlandse ambassade om het land te ontvluchten. Mónica: ‘Ik wist niet of wij elkaar ooit nog zouden terugzien.’

Nadat haar zoon geboren was, vertrok Mónica met haar twee kinderen ook naar Nederland.Daar zag Joop zijn zoon voor het eerst. Zijn familie gaf Mónica een warm welkom. ‘Het moet vreselijk geweest zijn voor de mensen op wie niemand stond te wachten.’ Het gezin kreeg een appartement in Rotterdam. De begintijd in Nederland was Mónica omringd door Chilenen. ‘Als ik meteen de Nederlandse taal had geleerd, was ik veel verder gekomen.’ Dat deed ze niet en Mónica raakte wat geïsoleerd. Ze zette zich in om in Nederland te vertellen wat er in Chili aan de hand was, maar liep op tegen het mannenmonopolie. ‘Wij vrouwen waren goed genoeg om empanada’s te maken om geld in te zamelen. Veel van de Chileense vrouwen waren gekomen als de koffer van hun man. Hij was politiek betrokken en moest vluchten, de vrouw ging mee.’ Voor Mónica was het de liefde die haar deed volgen, ‘een mooie koffer, maar ook een koffer’.

Dat gevoel én het idee dat ze snel weer terug zou keren verdwenen toen Mónica na de geboorte van haar derde kind werk vond als leidinggevende van de schoonmaakploeg in een ziekenhuis. Ze ontwikkelde een manier van leidinggeven die gebaseerd was op een goede balans tussen rechten en plichten van de werknemers. ‘Ik heb mijn idealen geïntegreerd in mijn werk. Ik hield mijn werknemers voor dat ze zich respectvol moesten laten behandelen. Dat is het begin van niet discrimineren. De schoonmakers zijn net zo belangrijk als de chirurg. Als zij slordig werken kan de patiënt ook doodgaan.’

Lees meer over Mónica Acuña Montecinos op de website van Ongekend Bijzonder.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM