Uitgebreid zoeken

Albert Helman: De eeuwige migrant

Albert Helman

Hij bleef zijn leven lang tussen de continenten heen en weer bewegen: Albert Helman, de eerste Nederlands-Caraïbische migrant-schrijver. Geboren in Suriname als Lou Lichtveld verruilde hij al vroeg zijn koloniale moederland voor Nederland, en van daar trok hij naar Spanje, Mexico, Nederland, Suriname, de Verenigde Staten, Trinidad & Tobago, Italië en opnieuw Nederland. Een kosmopoliet, een man van alle diciplines en nooit ophoudende intellectuele nieuwsgierigheid, of zoals hij het zelf uitdrukte: een Renaissancist. Zijn romans Zuid-Zuid-West (1926), De stille plantage (1931) en De laaiende stilte (1952) gelden als de moderne klassiekers uit de Surinaamse literatuur.

Lodewijk (Lou) Alphonsus Maria Lichtveld werd op 7 november 1903 te Paramaribo geboren als telg van een geslacht met zowel Duits, Creools, Nederlands als Indiaans bloed; zijn beide grootmoeders waren van Indiaanse afkomst. Zijn vader was een vroom-katholieke comptabel ambtenaar, zijn moeder een voorma­lige onderwijzeres. Lou was de oudste in een gezin van negen kinderen.

Van zijn elfde tot en met zijn veertiende jaar vertoefde hij in Nederland, waar hij korte tijd meende priester te zullen worden. Maar verteerd door heimwee keerde hij terug. Hij maakte de Paulusschool (MULO) af en slaagde in 1920 voor de derde rangs-onderwij­zersakte. Verbitterd om de koloniale mentaliteit in Suriname ging hij in 1921 opnieuw naar Neder­land.

In Amsterdam studeerde hij muziek en Nederlandse taal- en letterkunde. Voor korte tijd had hij eerst een baan als onderwijzer aan een volks­school. Al spoedig werd hij organist van de Amsterdamse St.-Bonifatiuskerk en ook muziekrecen­sent bij De Maasbode (tot eind 1930). Naderhand kwam er een baan bij als verslaggever en kunstre­dacteur voor De Telegraaf. Zijn muziekkritieken - en incidenteel ook ander werk - verschenen onder de namen Hyperto­nides, Louis Lightfield, Beckmesser, zijn composities ook onder de naam Hella Bentram. Voor de eerste geluidsfilm, Regen (1929) van Joris Ivens, schreef Lichtveld de muziek.

Onder de naam Lodewijk Lichtveld verscheen in 1923 zijn debuutbundel, De glorende dag. Later zou het meeste van zijn literaire werk verschijnen onder de naam Albert Helman, maar hij gebruikte ook de namen Rolf Keuler, Jo Jaspers, Floris Kapteyn, Hella Bentram-Matriotte en J.B. Tenoten en nog tientallen andere. Met Leni Mengelberg, met wie hij in 1927 in het huwelijk trad, schreef hij kookboekjes onder de naam Marion Bekker. Veel uitgaven van het Suri­naamse Bureau Volkslec­tuur werden door Lichtveld geschreven maar verschenen anoniem, zoals ook de redes die hij voor de Suri­naamse president Pengel schreef niet zijn naam vermel­den.

Van november 1925 tot en met 1931 maakte hij deel uit van de redactie van De Gemeen­schap. De Godfather van de groep rond het tijdschrift, Pieter van der Meer de Walche­ren, nam ook hem onder zijn hoede en deed hem - als tegenhanger van Engel­man - het pseudoniem Helman aan de hand (een naam die Van der Meer aan een louche doktersfiguur uit zijn bundel Vergel­ding had ontleend). In dezelfde jaren verschenen ook bijdra­gen in Opgang, De Vrije Bladen en Erts. Samen met Chris de Graaff trad hij eind 1931 uit de redactie van De Gemeenschap, toen het Neder­landse episcopaat weigerde de preventieve cen­suur op het blad op te heffen. Al eerder, na Kerst 1930, was hij opgestapt als muziekcriticus van het katholieke dagblad De Maasbo­de.

Helmans eerste boeken verschenen bij de uitgeverij die Albert Kuyle had opgezet, De Gemeenschap, maar vanaf De stille plantage verscheen het meeste van zijn fictionele proza bij Nijgh & Van Ditmar, die hij in 1990 verruilde voor In de Knip­scheer omdat hij vond dat de uitgeverij zijn werk verkwan­selde.

Van 1932 tot 1938 woonde Lichtveld in het Spaanse San Cugat del Valle. Hij hield zich in leven als schrijver en als correspondent voor de NRC en De Groene Amsterdam­mer. In deze jaren schreef hij ook voor De Stem en Rynben­de's Blijmoedig Maandblad (1928-1938) en vanaf 1930 was hij redacteur van Balans, alge­meen jaarboek der Neder­landse kunsten. Hij ontwik­kelde zich tot een partijloos anarcho-socialist en werkte samen met George Orwell aan de buitenlandse republikeinse propagan­da tegen Franco. Evenals Ter Braak en Slauer­hoff weigerde hij in 1932 het lidmaat­schap van de Maat­schappij der Nederlandsche Letter­kunde, maar hij zou in 1941 toch toetreden.

In Spanje scheidde hij van zijn eerste vrouw en in 1938 vertrok hij met zijn tweede vrouw, de Duitse beeldhouwster Lili Cornils, voor een bijna tweejarig verblijf naar Mexico, vanwaar hij weer naar Nederland ging. Tijdens de bezettingsjaren was hij actief in het verzet. Onder de pseudo­niemen Nico Slob, Friedrich Nietzsche en Joost van den Vondel schreef hij ook anti-nazistisch werk en hij droeg anoniem bij aan het Eerste Vervolg van het Geuzen­lied­boek (1943), Berijmd verzet en het blad De Vrije Kunstenaar (waarin hij schreef onder de naam Brandaris). Hij maakte deel uit van de Grote Raad der Illegaliteit. Voor zijn verzetsactivi­tei­ten werd hij - tegen zijn zin - Officier in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Eind 1945 maakte hij deel uit van het Nederlandse Noodpar­le­ment.

Hij was medewerker, later redacteur van de Kroniek van Kunst en Kultuur (1940-1953), vanaf 1941 redacteur van de novellenreeks De tuinspiegel van de Amsterdamsche Boek- en Courantmij, trad in 1946 toe tot de medewerkers­kring van het anti-confessionele maandblad voor literatuur en beeldende kunsten Apollo, schreef recensies voor Critisch Bulletin, stukken voor Nieuw Suriname (1947) en was voorzitter van de Federatie van Verenigin­gen van Surina­mers buiten Suriname.

In 1949 keerde hij naar Suriname terug om er minister van Onderwijs en Volksge­zondheid te worden: hij legde het fundament voor de Algemene Middelbare School. Na een conflict met de Staten van Suriname in 1951 trad hij terug. Een nieuwe periode van intense schrijfactiviteit brak aan, romans, toneelstukken, vertalingen. Hij schreef reporta­ges en gedich­ten in het Surinaamse dagblad Het Nieuws, artikelen in de Caribbean Historical Review en tal van andere bladen. Hij maakte deel uit van de redactie van Eldorado: maandblad ter beharti­ging van de belangen van Suri­name en de Nederland­se Antillen (1949-1950) en Vox Guyanae: tweemaandelijks tijd­schrift voor wetenschap en cultuur (1954-1959). Daarnaast was hij maatschappelijk zeer actief. Van 1954 tot 1961 was hij voorzitter van de Surinaamse Rekenkamer. Voorts directeur van de Volksuniversi­teit, bestuurslid van de Stichting voor Surinaamse volks­kunst, voorzitter van de Spel­lings­commissie voor het Sranantongo. Hij richtte het Taalbureau en de Stichting tot Bevorde­ring van Publicaties op Wetenschap­pelijk en Cultu­reel Gebied op.

In 1961 werd hij als Gevolmachtigd Minister verbonden aan de Nederlandse ambassa­de in Washing­ton, en opgenomen in de delegatie van het Koninkrijk bij de Verenig­de Naties speci­fiek om de Surinaamse belangen te behartigen. Vanaf dat jaar tot 1964 was hij ook lid van de Culturele Adviesraad voor het Koninkrijk. In 1965 trouwde hij voor de derde maal, met Thera Rebel, een huwelijk dat slechts een jaar stand hield.

Na zijn pensionering vestigde hij zich op Tobago. Een laatste periode van grote schrijfactiviteit resulteerde in tal van boeken en bijdragen aan verschillende tijdschriften - vooral aan Maatstaf. In 1986 verruilde hij het Caraïbische eiland voor afwisselend het Italiaanse Airole en Amsterdam-Buitenveldert. Daar overleed hij op 10 juli 1996.

In 1953 ontving Helman voor De laaiende stilte de Vijverberg­prijs, in 1961 kende de Sociedad Bolivariana op Aruba hem het diploma van Eer en Distinctie toe voor zijn culturele werk (in het bijzonder met betrekking tot Simon Bolívar), in 1962 verleende de Universi­teit van Amsterdam hem een eredoctoraat voor zijn linguïsti­sche werk en in 1994 schonk het Surinaams Muziek Collectief hem een beeldje om zijn muzikale verdiensten voor het voet­licht te brengen. Pas in de laatste jaren van zijn leven werd hij met enkele exposities en specials van tijdschriften ge­erd. Het Fonds voor de Letteren kende hem een jaar voor zijn overlijden een jaarlijks eregeld toe.

In 1976 maakte de Wereldomroep Televisie de film Onafhankelijkheid, een kostbaar goed over Helman. Onder regie van Jan Bosdriesz en op basis van een script van Gerard Soeteman werd Avonturen aan de Wilde Kust in 1982 door de NOS uitgezon­den als vijfdelige documentai­reserie.

Van Helmans drie kinderen verwierf Noni bekendheid als tekenares en schrijfster van jeugdboeken.

 

Literatuur over Helman:

Albert Helman. Een inleiding tot zijn werk door Max Nord met enkele teksten, handschrif­ten, foto's, curiosa en een biblio­graphie. 's-Gravenhage 1949, D.A. Daamen, Schrijvers van heden II. 

Mutyama (Lou Lichtveld - Albert Helman - negentig jaar), jrg. 4, nr. 5, 1993,

Oso, jrg. 14, nr. 1, april 1995. Albert Helman-nummer.

Michiel van Kempen, Kijk vreesloos in de spiegel. Albert Helman 1903-1996. Notities, nota's, noteringen. Haarlem 1998. (zes essays over verschillende aspecten: persoonlijk­heid, muziek, Multatuli, boekver­zorging, Suriname, kritiek, Helman als Indiaan)

Michiel van Kempen, ‘Albert Helman.’ In: Kritisch Lexicon van de Moderne Neder­landstalige Literatuur, no. 71, november 1998. 42 pp. (Biografische schets, beschouwing van het werk, uitgebreide primaire en secundaire bibliografie.)

Michiel van Kempen, Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Breda: De Geus, 2003. (Uitvoerige plaatsing van het oeuvre binnen de Surinaamse literatuur.) 

Reacties

INCAPABELE HOOGLERAAR BEZET LEERSTOEL CARAIBISCHE LETTEREN UVA

Michiel van Kempen heeft een te zware geestelijke vracht op z;n schouders genomen door over een taalvirtuoos al Albert Helman te willen schrijven. Het boek is te anekdotisch en bitter weinig literair essayistisch. Van Kempen is op zich zeer slecht in het analyseren van literaire werken. Zelfs een eenvoudige recensie schrijven lukt bij hem niet. In haast alle door hem gepubliceerde recensies speelt hij meer op de man dan op de bal. Hierdoor is de aan hem gegunde leerstoel aan de UvA, hem een paar maten te groot. Zijn wetenschappelijke publicitaire achtergrond laat zich dan ook het best kenmerken door zijn gastredacteurschap van verschillende bladen, waarin hij teksten opnam zonder op de kwaliteit te letten. Hoe dit allemaal gebeurd is leest u hieronder. 

Van Kempen vertegenwoordigt middels deze aanstelling zowel de Antilliaanse , de Arubaanse als de Surinaamse literatuur waar tevens een stukje erkenning mee wordt gelift.  Vijf jaar geleden stond het bestaansrecht van deze leerstoel op de tocht tot een Curaçaose zakenman er tonnen in investeerde vanuit een zekere ondefinieerbare betrokkenheid. De in totaal 16 promovendi, waarbij zeker een paar Antillianen,  hebben hem vanwege diens inhabiliteit de rug toegekeerd waarna deze hoogleraar zich apatisch in een onbekende kamer binnen de UvA heeft teruggetrokken.  Enkel één van hen, Cynthia Abrahams genaamd, slaagde er binnen een paar jaar in om onder het gezag van Van Kempen te promoveren op de poëzie van de Surinaamse revolutionaire dichter, Ravales Dobru. In het proefschrift van Cynthia Abrahams kom je als lezer een heleboel politieke  uitweidingen tegen omdat Dobru ook politicus was maar nergens in de dissertatie is de poëzie van Dobru  literair geanalyseerd. Als je hierbij stil staat weet alleen Joost hoe het zou vergaan met de overige  aspirant promovendi die bij hem zijn weggelopen.

 Michiel van Kempen die zich ooit ontworstelde aan de straffe houdgreep van een familie varkensbedrijf te Brabant en ergens in de jaren tachtig naar Suriname vluchtte om er de leraar Nederlands uit te hangen, ontpopte zich er ondanks zijn beroerde Rochelende G als de grondlegger van de zwevende Surinaamse letteren. Hij had al gepland dat hij van het tot nog toe braakliggend literaire moeras van Suriname zijn levenswerk zou maken en overnachtte zelfs in het Surinaamse archief bureau. De engste kakkerlakken, muizen, spinnen en ratten werden er zijn trouwste huis- en bondgenoten. Na voltooiing van het ene werk volgde de andere. Hij besprak alles en een ieder, zelfs de kruidenier die zijn koopwaar in de ogen van Van Kempen in een vrij literaire/poëtische stijl had aangeprezen. Zijn populariteit deed op een gegeven moment zelfs de triomfantelijke blik in de ogen van het standbeeld van Kwakoe, waarin de Surinaamse geschiedenis zich een vrijheidsstrijder heeft vergist, verdoezelen. Deze actie resulteerde in een essay over Surinaamse scribenten en schreeuwlelijke dichters waarin de curricula vitae veel omvangrijker bleken te zijn dan de gekleurde en tendentieuze analyses van de werken van de auteurs; verder in literaire tijdschriften als De Gids, de Tweede Ronde, Streven, Deus Ex Machine, etc. die bol stonden van alles wat gefrankeerd was ingezonden of tijdens een literaire avond samen met een zakje Telo in de jaszak van Van Kempen was gedouwd. Tot slot in diverse gefiltreerde en van weinig inspiratie getuigende bloemlezingen van werken van auteurs, die Van Kempen een warm hart toedragen, nooit iets lelijks over hem schrijven etc.

Van Kempen had zijn inmiddels tot vijf opeenvolgende delen gebundelde gerecycled archiefmateriaal geruisloos weten te droppen bij een goedgelovige en gewillige hoogleraar aan de UvA , die bereid was geweest zijn noeste vlijt voor een voldragen  proefschrift aan te zien. Van Kempens’ dissertatie getuigt in wetenschappelijk opzicht niet van een vooropgezette doortimmerde theorie of hypothese die getoetst zou kunnen worden in een kwantitatieve-en kwalitatieve-achtige setting. Evenmin laat hij erin zien dat hij gewerkt heeft met een groot aantal vergelijkbare onderzoeksobjecten, test- en controlegroepen. Dit krijg je als je logerend in het Surinaamse archiefbureau berghoge aangevreten krantenstukken, vergeelde dossiers etc. letterlijk zit over te pennen. Er ontbreekt er reeds bij eerste oogopslag een hoofdstuk in over de gehanteerde onderzoeksmethode en één over de theoretische verantwoording. Hoewel hij één van de vijf delen gewijd heeft aan de theorievorming, staat dit deel er helemaal als los zand bij. De verzamelde veldgegevens zoal daar op enigerlei wijze sprake van mocht zijn, zijn in het proefschrift op geen enkele wijze wetenschappelijk geadstrueerd. 


Het proefschrift heeft hierdoor het uiterlijke kenmerk van een gouden gids over Surinaamse auteurs.  Tot slot zijn alle stellingen zoek waardoor de vraag rijst wat er aan nieuws/ongekends  door Van Kempen onderzocht is geweest en vooral wat hij verdedigd heeft. Kijken wij naar de praktijk van Van Kempen dan is het op z’n zachts uitgedrukt zorgelijk dat hij maar liefst zestien promovendi onder zijn hoede heeft. Van Kempen grootheidswaan werd vanuit de Antillen en Suriname steeds gevoed door het feit dat men hem steeds lauwerde met prestigieuze literaire prijzen, waaronder de Rahman-Khanprijs, een evenknie van de Nederlandse PC-Hoofdprijs. Ten aan zien van zijn eerdere publicatie `De Surinaamse literatuur (1970 - 1985)', was een ieder het er onverdeeld over eens dat tegenover Van Kempens essay dat qua grafische vormgeving in bijna hetzelfde jasje gestoken leek te zijn als dat waarin de Surinaamse president Venetiaan zich vertoonde, alle andere soortgelijke publicaties qua diepgang, analyse en afwerking kwamen te verbleken. Hij heeft in dit werk opeengehoopt wat er zelfs aan vingeroefeningen binnen de Surinaamse literatuur bedacht en uitgeprobeerd is. Verder nam hij al degenen, zoals ondergetekende, die zich niet het allerbeste lieten ontvallen over de door hem herontdekte Surinaamse literatuur, genadeloos onder vuur. Men zou bijna kunnen denken dat Van Kempen dit alles gedaan heeft om middels bestrijding van alle pestilente ideeën en initiatieven, die hij persoonlijk als schadelijk interpreteert voor een volwaardige ontwikkeling van de Surinaamse literatuur, mensen die als 'verraders' z'n gezichtsveld binnenhuppelen,eruit te knuppelen (lees van hem zijn buitengewoon slecht geschreven pamflet  'Een knuppel in het doksenhok').

De laatste tijd laat Van Kempen weinig van zijn professorale performance zien omdat hij zich fulltime bezig houdt met het volkladden van het door de staat gesubsidieerde forum, Caraibisch Uitzicht en met zijn vrijwilligerschap bij de Nederlandse Wikipedia en Google.nl.  Het aan de schandpaal nagelen van zijn tegenstanders via Wikipedia en google.nl verdient bij hem  de allerhoogste en absolute prioriteit. Van Kempen heeft zijn leefomgeving zelfs laten voorzien van speciale detectie apparatuur en sensoren die hem meteen signaleren wanneer iemand enige wijziging  in de door hemzelf over de desbetreffende persoon opgemaakte tekst durft aan te brengen.  En als het hem te bar wordt versleutelt hij meteen de site zodat de getroffene er geen verandering meer in kan aanbrengen. Op deze wijze staan diverse personen reeds bij het aanklikken van Wikipedia en Google.nl  bloot en belachelijk ten publieke aanschouwen. Het doet  Van Kempen juist deugd wanneer hij verneemt dat diens getroffenen door zijn gedraging sociaal geïsoleerd raken ten gevolge waarvan niemand meer zaken met hun wenst te doen. Van Kempen die al jaren lasterlijke en smadelijke teksten over zijn tegenstanders loopt te kladden is een keer zelfs door de rechtbank dusdanig in het gelijk gesteld dat het lijkt alsof de klagers juist over hem lasterlijke en smadelijke teksten hadden gepubliceerd. De rechtbank legde de slachtoffers van Van Kempen een geldboete op en een verbod schadelijke uitlatingen over Van kempen te doen terwijl hijzelf er  straffeloos en onverdroten mee kan en mag doorgaan. Binnen het Nederlandse  rechtssysteem bestaat deze gunning onder de noemer: “hoogleraarsforfait “.

 

Rabin Gangadin is socioloog, landbouwingenieur en gepromoveerde sociaaleconoom. Daarnaast is hij dichter,schrijver, essayist, literaire criticus en beroepscriticaster. Hij werkt aan zijn tweede dissertatie, aan zijn roman De Reis Naar Suriname, en aan een essay met de werktitel: De Surinamer bestaat niet .  Zijn voltooide essay Moderne Surinaamse Literatuur ligt bij een uitgeverij ter perse.

 

Opties reactieweergave

Kies uw favoriete manier om reacties weer te geven en klik op "instellingen opslaan" om uw veranderingen te activeren.

MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM