Uitgebreid zoeken

Max Elskamp als oorlogsvluchteling in Bergen op Zoom (1914-1916)

Max Elskamp (Antwerpen 1862 - Antwerpen 1931); franstalig symbolistisch dichter

1914-1916 : Elskamp als oorlogsvluchteling in Bergen op Zoom en Roosendaal

In oktober 1914 vlucht Max Elskamp, samen met zijn knecht Victor, maar zonder zijn vriendin Gabrielle, weg uit het door het Duitse leger bezette Antwerpen. Na een voettocht van 18 uur belanden zij in Bergen op Zoom, Zuidsingel 462, waar zij op het gelijkvloers van een vissershuisje twee kamers betrekken. In augustus 1916, krijgt Elskamp daar vanuit Weimar bezoek van zijn vriend Henry van de Velde die hem kan overhalen naar Antwerpen terug te keren. (Henry van de Velde: "De poetische vorming van Max Elskamp", blz 59; vertaald door Lode Zielens in de reeks De Seizoenen, nr 39; 1943)

De periode "Oktober 1914-september 1916" zou voor Elskamp de langste afwezigheid uit Antwerpen worden van zijn leven. Niet dat Elskamp zich écht thuis voelde in zijn geboortestad. Al lang voor 1914 kloeg Elskamp, zoals alle francofielen, erover dat Antwerpen door de Duitsers bezet was: door hun kapitaal dan. "C'est une formidable invasion Allemande", klonk het in de franstalig Belgische pers. En de Antwerpse samenleving was voor de franstalige kunstenaars "une société médiocre et cruelle", zeker het ontvluchten waard. (In dit verband een citaat uit "Het Vaderland" van 26/2/1932 over een andere franstalige schrijfster die in Antwerpen niet kon aarden: “In Antwerpen heeft Neel Doff nooit kunnen wennen; de hoge burgerlijkheid der kooplieden en reders is haar tot heden toe een ergernis gebleven en de enige, die in de wereld van
geldverdienen en lekker eten, haar intellectuele troost en vreugde heeft
gegeven, was Max Elskamp …”)

Maar een kunstenaar, die zijn land ontvlucht, ontwikkelt in het land van toevlucht verder zijn kunstenaarschap. En zo doet ook Elskamp. Hij, die al twintig jaar geen poezie meer had gepubliceerd, publiceert in juli 1915 drie gedichten in "La Revue de Hollande" onder de titel "Chansons Désabusées" (Liederen van een ontgoochelde). Dat wordt later, (in 1922), de titel van een bundel. Na de oorlog, in 1921, start hij de meest productieve periode uit zijn leven op met “Sous les Tentes de L’ Exode”, een bundel die geheel gewijd is aan zijn verblijf in Bergen op Zoom en waarin hij een gedetailleerde beschrijving geeft van alle aspecten van zijn leven als vluchteling: we lezen er over de weidse landschappen in Zuid-Beveland en Tholen, de verzorging in de hospitalen door de Maleisiers en door de diaconessen; we aanhoren zijn klachten over de kale protestantse kerken met hun witgekalkte muren..."églises nues et dissidentes, moroses de maries absentes"... (oplage 55 ex op Japans papier Shirinugui; 220 ex op geschept papier Vélin).

Maar niet alleen het dichterschap van Elskamp ontwaakte tijdens zijn verblijf in Bergen op Zoom: Elskamp, die advokaat van opleiding is, ging er werken als secretaris van de kanselarij op het consulaat van Belgie in Roosendaal. En dat is heel bijzonder want Elskamp had dat beroep in Antwerpen nooit uitgeoefend omdat hij zich niet wilde verdiepen in de problemen van reders en kooplieden. Maar voor zijn broeders, de vluchtelingen, maakte hij graag een uitzondering. "On a vécu comme des frères, pendant les mois de cette guerre". (slotverzen van de bundel).
(De notities die Max Elskamp maakte voor zijn werk op het consulaat in Roosendaal, worden bewaard in het manuscriptenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek Albert I. Ze hebben betrekking op de wetgeving die van toepassing was op de naar Nederland gevluchte Belgen.)

Hierna vindt U één (nog niet vertaald) uittreksels uit
"Sous les Tentes de L'Exode" :
Het is het slotgedicht  van de dichtbundel : "In memoriam".

Maar vooraf een brief hierover van Max Elskamp aan zijn Waalse vriendin Emma Lambotte:

"Waarde Mevrouw,

Ik heb in die bundel niet alles gezegd wat ik gezien heb; wij waren ginder met 80.000 Belgen, in een stadje van 15.000 zielen, en de tentenkampen zijn voor mij een onvergetelijke bron van droefheid en bitterheid. Ik heb daar zoveel arme mensen zien sterven; ik heb voor hen gedaan wat ik kon, maar zoals U wel kunt denken, tegenover zoveel ellende, kon ik zeer weinig beginnen. Om u een idee te geven wat dat was met die vluchtelingen: ik heb geholpen bij het begraven van arme mensen die niet eens een deken hadden om hun armzalige doden te bedekken; en ik heb kleine kinderen zien sterven in kruiwagens als wiegje.

Ik zeg U dat, Waarde Mevrouw, omdat ik over die dingen heb moeten zwijgen. Men weet niet wat onze mensen hebben geleden in Holland. gedurende de eerste drie maanden, in die proviseerde kampen. Ik was ook bang dat men mij zou kunnen beschuldigen van ondankbaarheid tegenover het land dat mij heeft geherbergd. Dat ware zo geweest indien Holland ons een beetje zijn hart getoond had, als ik het zo mag zeggen; maar in de streek waar ik twee jaar geresideerd heb (twee lange jaren!), heb ik de zeldzame uitzonderingen daargelaten, alleen maar “Protestanten” ontmoet; - die mensen doen hun plicht, maar niet “van harte” in de christelijke zin van het woord; het zijn Noordelijke zielen, misvormd door Luther en Calvijn…

Voilà, dat is Holland, Waarde Mevrouw, en wees er maar zeker van dat ik niet overdrijf – Komt daar nog bij, de eeuwig grijze lucht, en het wantrouwen dat men daar van ons had, en , ik had bijna gezegd de vreugde, maar laat ons zeggen de haast waarmee men ons altijd het slechte nieuws bracht, terwijl men het goede voor zich hield.

Ik heb U dat alles gezegd, Waarde Mevrouw, om mij te verontschuldigen voor de bitterheid die in mij leeft, in verband met dat land dat ik niet graag heb gezien, misschien omdat het zo weinig hart getoond heeft voor de onzen.

Alleen de kleurlingen uit Maleisië, die waren bewonderenswaardig .... Maar de grote dames van ginderachter misprijzen hen, misschien omdat Maleisische vrouwen schoner zijn naar ziel en lichaam dan echte Hollandse. De waarheid is ook dat de Maleisiërs Holland verafschuwen, en dat zij op hun eilanden opgevoed zijn door Franse Dames of door Engelse onderwijzeressen. Zij spreken overigens maar die twee talen, alhoewel ze het Hollands machtig zijn. Maar hun toewijding voor de onzen was bewonderenswaardig.

Waarde Mevrouw, ik heb mij laten gaan door U een hoop dingen te vertellen die nergens op slaan, tenzij dat ene: “Dat ik niet van Holland hou”. Maar Gij zijt een goede Walin, en ik hoop dat Ge mijn aversie begrijpt voor dat land waarvan alleen flaminganten kunnen houden."
(brief van Max Elskamp aan zijn Waalse vriendin Emma Lambotte; vertaling: Gilbert Vanhove. Geciteerd in de originele taal door Henri Floris Jespers in “De Andere Stem van de Stad”, in het tijdschrift “Deux Ex Machina”, 1992 nr 4: bronvermelding aldaar)

In Memoriam

En ce pays, en ce pays,
Mon Dieu, où nous avons langui,

Mon Dieu, où nous avons souffert
Même du ciel et de la mer,

En ce pays qui nous fut long
D’attente morne et d’abandon

Au jour le jour, dans des saisons,
Et puis des mois, et puis des ans ;

En ce pays qui nous a pris
Pleins d’amertume et de soucis,

Aigris de haines et de doutes
Et pieds tout saignants de la route,

Chargés de deuil, vêtus de larmes,
Yeux lovés comme sous un charme,

Et bouche amère, oreilles sourdes,
Gros de cœur et l’âme à lourde ;

En ce pays qui nous fut lent
D’accueil, de visage et d’accent,

Et mauve et gris comme une automne
Au monde loin parmi les hommes ;

En ce pays étranger
Où nous n’avons pas su aimer

Et qui, par règle ou défiance
Si tôt en nous s’est fait silence ;

En ce pays qui nous fut froid,
Du pain qu’on mange à l’eau qu’on boit,

Et pour les yeux, et pour l’ouïe,
Morose et de mélancolie :

Jour indécis, ciel protestant,
Nos yeux, l’aurez-vous vu souvent,

Et voix des eaux dans l’air perdues,
Vous, nos oreilles, entendues !

En ce pays trop de la mer,
Où nos cœurs ne se sont ouverts,

Où durs, et secrets et fermés
Nous avons plus haï qu’aimé,

En ce pays trop de marchands
Où nous n’avons pas acheté,

En ce pays de prédicants
Que nous avons mal écoutés,

En ce pays, las ! où nous fûmes,
En ce pays où nous vécûmes,

Ames lasses, désabusées,
Portant comme croix nos pensées ;

Mon Dieu des jours noirs de la vie,
Mon Dieu des souffrances subies,

En ce pays, en ce pays
Ainsi où nous avons langui,

Les partageant jusqu’à la chair,
Nos blessures et nos misères,

C’est le monde qui a changé,
Le paradis qu’on a gagné :

On a vécu comme des frères
Pendant les mois de cette guerre. 

 

k als secretaris op het Belgisich Consulaat in Roosendaal.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM