Uitgebreid zoeken

Onze gelukkige jaren

Güngör Haleplioğlu en Irene Maarschalk. Foto Bercis G. Metz

Onderstaand verhaal is geschreven door Sevgi Gülen. Het is een verkorte versie, afkomstig uit het boek:

 

Turks-Nederlandse betrekkingen in de liefde / Aşkta Türkiye ile Hollanda arasındaki ilişkiler
Tweetalig, 120 blz, € 10,90

ISBN 978-90-70450-35-9

Uitgever Fonds Historische Publicaties Schiedam

 

Onze gelukkige jaren

Irene Maarschalk (1942) en Güngör Haleplioğlu (1933) zijn vierenveertig jaar samen. Hun zoon heet Altan (1974) en hun dochter Selma (1977). Irene is gepensioneerd fysiotherapeute en Güngör is gepensioneerd ambtenaar.

Güngör: Ik ben in Sungurlu in de provincie Çorum geboren als enige zoon met twee zussen. Ik was vier jaar oud toen mijn moeder overleed. Toen ik twaalf was overleed mijn vader waarna ik ben opgegroeid bij mijn oudere zus. Ik heb mijn lagere school afgemaakt en heb op jonge leeftijd de zaak van mijn vader overgenomen. Na mijn militaire dienst ben ik begonnen met mijn transportbedrijf. Ik had veel mensen in dienst, maar na de staatsgreep van 1960 ging het op de een of andere manier steeds slechter met mijn bedrijf en op een gegeven moment ben ik failliet gegaan. Ik heb alles verkocht en mijn schulden afbetaald. Met tweehonderd dollar op zak kwam ik in 1965 als gastarbeider naar Nederland. Ik ben door Wilton-Fijenoord geworven. De werkgever had voor ons huisvesting geregeld. We woonden in een grote barak in de Botlek. Het was heel ver eigenlijk, vlakbij de Shell raffinaderij. Ik heb daar een half jaar gewoond en daarna kon ik bij een familie in Rotterdam terecht waar ik een zolderkamer huurde.

Vlak na mijn komst heb ik gezegd dat Nederland voor mij het land van mijn toekomst was. Alle gordijnen waren open, maar niemand keek naar binnen. Overal waren bloemen, maar niemand plukte ze, in plaats daarvan gingen mensen naar de bloemist om bloemen te kopen. Ik ben eerst op Nederland verliefd geworden, daarna ook op mijn vrouw. Twee jaar na mijn komst, in 1967 hebben we elkaar voor het eerst gezien.

Irene: Wij kwamen elkaar tegen in het uitgaansleven. In de dancing, zo heette dat toen. Het was elke vrijdag en zaterdag in Rotterdam. We gingen dan stijldansen. Hij kwam met zijn vrienden en ik met mijn vriendinnen. Toen kwamen we elkaar vervolgens de hele winter daar tegen. We dansten maar verder was er helemaal niets aan de hand. Wat daarna gebeurde is zijn schuld eigenlijk.

Güngör: Ja, altijd. Vertel maar, wat is mijn schuld?

Irene: Ik werkte als fysiotherapeute en een collega van mij had haar examen gehaald, dus dat gingen we met een heel stel collega’s vieren. Ik woonde ook in Rotterdam, aan de Oostzeedijk en kwam om drie uur 's nachts thuis. Ik parkeerde mijn auto en ineens werd er op mijn raampje geklopt. Het was Güngör. Hij zei 'ik wil met je praten' en kwam naast me zitten. Toen we elkaar weer gedag zeiden was het inmiddels al zaterdagochtend. Wij hebben toen gelijk weer voor dezelfde middag afgesproken. Zo is het gekomen eigenlijk.

Güngör: Je hebt geen spijt gekregen toch? Ik heb er geen spijt van dat ik urenlang op je stoep heb zitten wachten. Wij zijn vierenveertig jaar samen, al veertig jaar getrouwd en hebben twee kinderen. Beide kinderen hebben gestudeerd, zijn getrouwd, hebben werk en we hebben onze kleinkinderen en schoonkinderen. Ik ben hier alleen gekomen en nu zijn we met negen.

Irene: Het is zeker niet verkeerd geweest. Voordat ik Güngör leerde kennen had ik eigenlijk geen idee over Turken. Mijn vader was ingenieur, hij had een Turkse collega. Daar hadden we wel eens contact mee, maar dat was de enige en verder niks. Dus wat weet je ervan, eigenlijk niks.

Güngör: Nederlanders kenden Turken als mannen met een fes op hun kop en met een grote snor. Eerlijk is eerlijk, toen we hier allemaal in een keurig pak aankwamen, keek iedereen altijd heel positief tegen ons aan. Er waren drie cafés in Rotterdam die De Turk heetten. Begin jaren tachtig veranderden ze allemaal hun naam.

Irene: Turken hadden toen een hele goede naam. En ze werden, net als hij, door de Hollandse hospita met open armen ontvangen. Dus dat is heel anders dan dat het nu is. Ik merk het niet, maar hij merkt het vaak.

Güngör: Toen ik hier kwam waren de mensen ontzettend behulpzaam. Nederlanders zijn in eerste instantie een beetje afstandelijk. Maar als je ze beter kent verandert het wel. De eerste jaren was de taal een probleem. En ik was ook bang. Bang om iets te eten waar varkensvlees in zat. Eén ding heb ik haar wel gezegd, ’Ik heb in mijn land geleerd geen varkensvlees te eten.’ Onze kinderen hebben hier ook geen varkensvlees gegeten. Dat blijft nog steeds hetzelfde.

Irene: Ja, dat was het enige. Eigenlijk zijn er helemaal niet veel verschillen. Ik heb helemaal niet gezegd van 'goh wat is dat raar', of zo. Helemaal niks.

Güngör: Hij reed, hij fietste, hij danste en het was een aardige man.

Irene: Wij hadden geen problemen, maar mijn familie wel. Mijn ouders zagen hem niet zitten.

Güngör: Mijn schoonvader was ingenieur, zijn vader notaris en diens vader was ook notaris. De vader en opa van mijn schoonmoeder waren beiden architect. Een hele geleerde familie.

Irene: Dat was het punt. Maar wat ik het ergste vond was dat ze hem nog niet eens hadden ontmoet. Hij was maar een arbeider en dus per definitie niet goed genoeg. Hoe kan je nou iemand beoordelen als je hem helemaal nooit gezien hebt? Niet eens beoordelen maar veroordelen. Maar goed, ik woonde op kamers en hij ook. Ik ging iedere zondag naar mijn ouders, maar toen ik verteld had dat ik een vriend had en wie hij was hoefde ik niet meer thuis te komen. Het was het één of het ander, of hij eruit of ik was niet meer welkom. Güngör zei zelf dat ik mijn familie moest kiezen.

Güngör: Ja. ’Ze zijn je familie. Ze hebben altijd alles voor je gedaan. Je moet voor je familie kiezen’, heb ik haar gezegd.

Irene: Ik ben in eerste instantie inderdaad weer naar huis gegaan. Maar twee weken later dacht ik ‘ze kunnen het dak op'. Ik ben toen weer terug naar hem gegaan. Ik heb mijn familie toen een jaar niet gezien. Op een dag waren we naar een concert en toen kwam ik mijn moeder en mijn schoonzusje tegen. Ik heb ze toen gedag gezegd en hem gelijk aan mijn moeder voorgesteld.

Güngör: Daarna mochten wij samen langskomen. Maar dat wilde ik niet gelijk. Haar vader is toen naar haar kamer gekomen. Ik heb Turks eten voor ze klaargemaakt. Je kon toen niets Turks kopen in de winkels dus ik ben met Irene naar de markt in Rotterdam gegaan. Ik zag een groene peper. Ik was zo blij en dacht die ga ik gelijk kopen. Irene wilde het proeven. Ze stak de hele peper in één keer in haar mond. Dat was voor haar een pittige ervaring. Inmiddels is ze gewend om pittig te eten. Toen we nog op kamers woonden kwam Irene 's avonds altijd naar mij, dan aten we samen.

Irene: Ik wilde een appartement huren, maar het lukte niet. Ik werkte in Rotterdam in het Zuiderziekenhuis. Ik had een collega die in Schiedam woonde en die vertelde dat ze in een Schiedams ziekenhuis, het toenmalige Gemeenteziekenhuis, een fysiotherapeut zochten. Bij de baan kreeg je ook een huis. Ik heb toen gelijk de wethouder gebeld om te vragen of het waar was en ja hoor. Ik zei toen tegen Güngör dat ik met hem wilde samenwonen maar wel een ring wilde hebben.

Güngör: Wij hebben ringen gekocht en zijn op 7.7.70 verloofd. Dat vonden we een mooie datum. We zijn op 7 April 1972 getrouwd.

Irene: Mijn ouders hebben de bruiloft betaald.

Güngör: Wij hadden allebei een baan maar we hadden geen geld. Ik zat eerst bij Wilton-Fijenoord, heb drie en een halfjaar bij Chrysler gewerkt. Daarna wilde Wilton mij als tolk. Ik ben in Schiedam tien jaar betrokken geweest bij de werving van nieuwe gastarbeiders. In 1981 werd ik door het Ministerie van Justitie gevraagd als adviseur. Ik heb daar nog twaalf jaar gewerkt tot aan mijn pensioen. Ik was actief in de ondernemingsraad van Wilton-Fijenoord, lid van het CNV en ook van het CDA in Schiedam. Omdat ik mijn werk zo goed deed heb ik in 1991 de eremedaille in goud van de orde van Oranje-Nassau gekregen. Mijn vrouw vond het jammer dat haar vader toen niet meer leefde. Hij zou het geweldig gevonden hebben. Het was een slecht begin maar het is heel goed geëindigd.

Irene: Wij zijn ook samen met mijn ouders bij zijn familie in Turkije geweest. De familie van Güngör was niet op onze bruiloft. Wij waren al getrouwd toen ik voor het eerst naar Turkije ben gegaan. Nadat we naar Ankara vlogen zaten we in de bus naar Sungurlu. Na tweeënhalf uur zei hij, 'nou daar is het dan’. Je vraagt je af hoe dat zal gaan maar je komt daar binnen en ze zijn allemaal even hartelijk. Na een half uur voelde ik me al helemaal onderdeel van de familie. Toen heb ik eigenlijk het grote verschil gemerkt. Iedereen kwam onverwacht binnen vallen en bleef mee-eten. De één na de ander schoof aan tafel.

Wij gingen ieder jaar zes weken met de kinderen naar zijn zus. Als we daar weggingen was het altijd tranen met tuiten. Ja, zo was het.

Güngör: Van mijn familie krijgt zij veel waardering. Als ik mijn familie spreek is het eerste wat ze vragen: 'Hoe gaat het met Irene?’ Irene spreekt heel goed Turks, veel beter dan onze kinderen. Destijds dachten mensen dat een tweetalige opvoeding tot problemen op school zou leiden. Daarom hebben we met hen geen Turks gesproken. Onze kinderen hebben mijn achternaam.

Irene: Mijn dochter heeft psychologie gestudeerd. Zij had echt het idee dat haar achternaam een belemmering was, maar hoe is dat mogelijk als ze alleen maar Nederlands spreekt?

Op een gegeven moment is de beeldvorming over Turken veranderd. In het eerste jaar van ons huwelijk heeft niemand ooit gevraagd hoe het zat met dit en dat en of ik daar problemen mee had enzovoort. Later vroegen mensen die ik voor het eerst ontmoette dat wel als ik vertelde dat ik met een Turk getrouwd was. Ik zei dan dat ik nooit problemen heb gehad. Dat er geen verschil is. Sommige mensen vinden dat vreemd, maar je hebt moderne Turken en conservatieve. Net als Nederlanders eigenlijk.

Güngör: Vroeger hadden ze twee benamingen voor ons. Toen waren we Mohammedaan of Turkse gastarbeider. Nu hebben ze wel honderd namen voor ons. Er zijn, net als bij iedereen, ook onder Turken enkele rotte appels die slechte dingen doen. Op TV is het dan meteen Turken zo en zo. De laatste tijd draaien ze het om, ze nemen één persoon als voorbeeld. Daar heb ik dus last van, maar het is net zo goed onze schuld. Je moet laten zien wie je bent. Turken durven geen contact met Nederlanders te zoeken. Ze hebben alleen contact met elkaar. Wat ik eigenlijk heel vaak hoor van mensen die in Turkije op vakantie waren is dat het zo'n mooi land is; lekker eten, lekker weer, prachtige zee en dan vooral dat de Turken zulke ontzettend aardige mensen zijn. Dan vragen ze mij waarom de Turken die hier wonen niet zo aardig zijn. Ik zeg dan dat de Turken die hier wonen ook aardig zijn, maar dat niet kunnen laten zien. Turken moeten hun goede kanten laten zien. Alleen ‘dag‘ zeggen is niet genoeg.

Mijn vrouw zegt dat ik heel uitgebreid praat, maar ik doe het graag. Als ik in de bus of de tram zit, waar dan ook, ik begin over het weer en ik laat aan mensen zien wie ik ben. Ik ben Nederlandser dan de doorsnee Nederlander. Op 5 mei hang ik de Nederlandse vlag uit. Op Koninginnedag doe ik een oranje wimpel aan de vlag, al veertig jaar.

Irene: Wij zijn dit jaar veertig jaar getrouwd. We gingen met ons negenen twee weken naar Side in Turkije. Daar vierden we samen ons robijnen huwelijk.

Güngör: Onze gelukkige jaren.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM