Uitgebreid zoeken

Zwitserse Doopsgezinden

In de 16e eeuw werden misstanden in de kerk door hervormers aan de kaak gesteld. In Zwitserland (Zurich) deed Zwingli dat in 1519. De meest radicale onder zijn aanhangers werden Dopers genoemd. Zij wezen de kinderdoop af en lieten zich als volwassene weer dopen. Zwingli noemde ze daarom spottend Wederdopers. De Dopers wezen in tegenstelling tot Zwingli en ook Calvijn en Luther de staatskerk af. Ook geweld werd niet getolereerd. Ze weigerden het zwaard te voeren, zworen geen eed van gehoorzaamheid aan het gezag en weigerden openbare ambten te bekleden. Geloofsvervolgingen waren het gevolg. In Nederland was Menno Simons vanaf 1536 de stichter van vele doperse gemeenten. Zijn volgelingen worden Mennonieten of Menisten genoemd. Tot 1579 werden zij ook in Nederland vervolgd. De Unie van Utrecht, waarin bepaald werd dat niemand wegens zijn geloof vervolgd mocht worden, maakte een einde aan deze praktijken.

De Zwitserse regering kon onmogelijk toestaan dat een deel van de weerbare burgers zich aan de verplichting onttrok het vaderland in tijden van gevaar te verdedigen. Daarom bleven daar de vervolgingen doorgaan. Martelingen waren geen uitzonderingen en vele van deze Doopsgezinden werden zelfs ter dood gebracht terwijl anderen voor de galeien verkocht werden. Hun goederen werden verbeurd verklaard.

De Republiek der Verenigde Nederlanden bood op aandrang van de hoogst verontruste Doopsgezinden in ons land onderdak aan deze zogenaamde Zwitserse Doopsgezinden. Enkele honderden geloofsgenoten kregen in 1711 verlof om met vrije beschikking over hun goederen Zwitserland te verlaten.

In de zomer van 1711 kwam een groep vluchtelingen naar Nederland. Kort daarvoor hadden de Zwitserse Dopersen nog een aanbod afgeslagen van koning Frederik I van Pruisen om zich in zijn land te vestigen. Er werd voor hen onderdak en werkgelegenheid geregeld. De groep vertrok op 13 juli 1711 in een viertal schepen uit Bern.

Deze schepen waren genaamd:

  • Emmenthaler
  • Oberlander
  • Thuninger
  • Neuenburger

Op het schip Emmenthaler hadden de meeste ex-gevangenen zich aangemonsterd. Op 18 juli 1711 werd Basel aangedaan, op 24 juli Mannheim, op 2 augustus Muiden en op 3 augustus 1711 arriveerden de vier schepen in Amsterdam. In het Duitse Breisach hadden onderweg nog 13 mensen de schepen verlaten. In Amsterdam aangekomen werden de Zwitsers in vier groepen verdeeld en vertrokken zij op 20 augustus 1711 naar:

-Harlingen:    21 personen
-Groningen:   126 personen
-Kampen:      87 personen
-Deventer:    116 personen.

Enkelen bleven in Amsterdam achter. Vanuit Kampen en Deventer trokken diverse immigranten later ook weer door naar Groningen. Sommigen kwamen hier aan zonder bezittingen, anderen hadden hun geld meegenomen, soms aanzienlijke bedragen.

Het waren Zwitsers Doopsgezinden, die tot de zeer strenge richting van Jacob Ammann behoorden. Het waren zeer ijverige, vlijtige en spaarzame mensen, die spoedig een eigen boerenplaats in bezit kregen. Bekende namen waren (de) Boer, Leenderz, Leutcher (Lötscher), Meihuizen, Ricken, Rob (later Ruben, ook wel Veenhuizen), Gerber, Asschenbach (later Veenhuizen), Cousi, Porrie, de Goede, Lovers en Ruchti (Rughti). Een dergelijke uittocht schijnt zich in 1714 nog eens herhaald te hebben

Omstreeks 1720 voltrok zich een scheuring binnen de Zwitserse gemeenschap in Groningen. Er ontstonden twee groeperingen: de Oude Zwitsers: die onverkort vasthielden aan de strenge Amische voorschriften, het Duits als kanseltaal gebruikten en ook uit een Duits liedboek zongen; vele broeders droegen lange baarden en gebruikten geen knopen, maar haken en ogen aan hun rokken, terwijl ook de vrouwen een lange tijd geen gouden of zilveren versierselen mochten laten zien. Daarnaast de Nieuwe Zwitsers, die niet de strenge eisen van soberheid van de Oude Zwitsers hanteerden (in kleding; geen nieuwerwetse knopen! en wijze van wonen), en bij wie in het Nederlands werd gepreekt. Er werd voor elke partij te Groningen in hetzelfde kerkgebouw om de 14 dagen gepredikt. Pas 50 jaar later fuseerden ze weer omdat er geen Hoogduits sprekende predikers meer te krijgen waren.

De inrichting van het kerkgebouw was hoogst eenvoudig. Men had geen preekstoel. De mannen zaten, als het koud was, bij het vuur, en de vrouwen in het midden van het vertrek op stoelen. De leraar stond aan het einde, voor of achter een stoel en voerde het woord. Door dit ongebruikelijke gedrag werd vooral bij doopbediening en avondmaal de aandacht van het volk zo getroffen, dat er dan, op verzoek, politiedienaars bij de deur moesten staan, om indringen van moedwillige spotters te beletten. Het gebed werd in stilte en knielend verricht.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM